Previous Next Facebook Instagram Twitter Pinterest Back to top

Werken met een opvallende herkomstgeschiedenis

Op deze pagina worden werken uit de collectie met een mogelijk problematische herkomst gepubliceerd.

Het museum hoopt door het openbaar maken van de herkomstgeschiedenis van deze kunstwerken mogelijk nieuwe informatie te verkrijgen.

Werken met een mogelijk problematische herkomst:

  • Pieter Aertsen, Verwerking van de oogst (2018)
  • Anoniem, Hodegetria, of Maria met Kind (2018)
  • Elf majolica schotels uit de collectie Eugen Gutmann (2017)
  • Zeven majolica objecten uit de voormalige collectie Pringsheim (2008)
  • Honoré Daumier, De schilderijen-liefhebbers (2017)
  • Honoré Daumier, De kwijtschelding (2017)
  • Honoré Daumier, Straattafereel (2017)
  • Anoniem, navolger Anthonie van Dyck, Een bisschop geknield voor de H. Petrus (2017)
  • Max Liebermann, Schrijvend meisje aan een tafel (2017)
  • Hans Memling, De bewening van Christus (2013)
  • Meester van de Magdalena-legende, Maria met Kind dat een appel vasthoudt (2013)

'De verwerking van de oogst' door Pieter Aertsen

‘Verwerking van de oogst’ door Pieter Aertsen werd door D.G. van Beuningen in 1939 bij de kunsthandelaar Lambert Jageneau gekocht. Uit de correspondentie komt naar voren dat Jageneau aan een nog onbekend persoon lijkt te hebben nagevraagd wie de vorige eigenaren te Wenen waren. Het schilderij blijkt in het bezit te zijn geweest van ene ‘Dr. Bruno Berall’ of ‘Dr. Bruno Beroll’.

Uit verder onderzoek blijkt een jurist Dr. Bruno Beral (1888-1961) met zijn vrouw en dochter in Wenen te hebben gewoond. Beral was voor de wet Joods en vertrok met zijn familie uit Wenen in 1938. Via Engeland kwamen zij terecht in Australië, maar hun vermogen in Wenen werd in 1941 in beslag genomen en verkocht. De familie Beral heeft na de oorlog getracht hun bezittingen terug te krijgen; het is onbekend of hier kunst of een kunstcollectie toebehoorde. Het is onduidelijk of de ‘Dr. Bruno Berall’ of ‘Dr. Bruno Beroll’  die door Jageneau als vorige eigenaar van het schilderij wordt geïdentificeerd dezelfde persoon is als de Dr. Bruno Beral die in 1938 Wenen ontvluchtte.

Dit werk staat tevens op de website Museale Verwervingen vanaf 1933.

De verwerking van de oogst, Pieter Aertsen, 1567-1569, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958
De verwerking van de oogst, Pieter Aertsen, 1567-1569, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958

'Hodegetria', of 'Maria met Kind', door Anoniem

Met de aankoop van de kunstcollectie uit de nalatenschap van D.G. van Beuningen kwam dit ivoren reliëf in het museum terecht in 1958. Het werd door D.G. van Beuningen gekocht van kunsthandelaar Jacques Goudstikker in 1939 als ‘ex-coll. Stroganoff’. Dit is zeer waarschijnlijk de Russische kunstverzamelaar Grigoriy Sergeyevich Stroganov (1829-1910). Het is niet bekend wanneer en op welke wijze Goudstikker het werk heeft verworven. Het reliëf komt echter voor in de gedwongen veiling van de handelsvoorraad van Joodse Kunsthandlung A.S. Drey te München. Deze veiling vond plaats bij veilinghuis Paul Graupe te Berlijn op 17/18 juni 1936, waar dit reliëf als lot nr. 96 werd aangeboden en het door een onbekende koper is verworven. De veilingcatalogus van Graupe verwijst tevens naar een vroegere herkomst: de collecties Stroganoff te Rome en Burns te Londen.

Dit werk staat tevens op de website van Museale Verwervingen na 1933.

'Hodegetria', of 'Maria met Kind', door Anoniem
Hodegretia, of Maria met Kind, Anoniem, 900-1000, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958

Elf majolica schotels uit de collectie van Eugen Gutmann

Sinds 1968 bevinden zich in Museum Boijmans Van Beuningen (eerst als bruikleen en sinds 1994 als schenking) elf stukken majolica uit de voormalige verzameling van de Duits-Joodse bankier Eugen Gutmann (1840-1925).

De collectie van Eugen Gutmann kwam na zijn overlijden onverdeeld in gemeenschappelijk eigendom van zijn zes kinderen waaronder zijn zoon F.B.E. (Fritz) Gutmann (1886-1944) die de collectie beheerde. Fritz Gutmann (die vanaf 1924 de Nederlandse nationaliteit verkreeg) woonde met zijn gezin op het landgoed Huize Bosbeek bij Heemstede, waar ook hij een eigen omvangrijke kunstcollectie bijeenbracht. In 1941 en 1942 verkocht Fritz Gutmann objecten uit de collectie Eugen Gutmann en uit zijn eigen collectie aan diverse Duitse handelaren waaronder Karl Haberstock en Julius Böhler, om zijn vlucht met zijn echtgenote uit Nederland te bekostigen. In 1943 werden Fritz Gutmann en zijn echtgenote door de nazi’s opgepakt. Zij kwamen in concentratiekampen om het leven.

Het is niet bekend of de elf stukken majolica eigendom waren van de erven Gutmann of van Fritz Gutmann en wanneer en op welke wijze ze van eigenaar zijn gewisseld. Uitgebreid herkomstonderzoek door het museum geeft geen uitsluitsel over de vraag van wie de stukken in de cruciale periode 1933-1945 waren. Vanaf 1955 waren in elk geval zeven en vermoedelijk alle schotels in het bezit van Mr. J.W. Frederiks (1889-1962). Het is niet bekend waar en wanneer Frederiks de stukken verwierf. De elf stukken majolica werden in 1994 geschonken aan het museum als onderdeel van de collectie Frederiks (1889-1962).

In oktober 2017 zijn de elf majolica schotels voorgelegd voor bindend advies bij de Restitutiecommissie.

Twee van de elf schotels uit de collectie Eugen Gutmann
Twee van de elf schotels uit de collectie Eugen Gutmann

Zeven majolica objecten uit de voormalige collectie Pringsheim

In 2008 ontving de Stichting tot Beheer Museum Boijmans Van Beuningen een brief uit naam van de erven van de Duitse verzamelaar Prof. Dr. Alfred Pringsheim (1850-1941), eigenaar van een vermaarde collectie Italiaanse majolica waaruit in 1941 zeven objecten werden verworven door de verzamelaar J.N. Bastert die zich thans in Museum Boijmans Van Beuningen bevinden. De erven verzoeken de eigenaar van de objecten, de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen, om teruggave van de majolica. Het museum heeft voorgesteld de kwestie gezamenlijk voor te leggen aan de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog met het verzoek om een bindend advies. Het museum is thans in afwachting van een reactie van de erven.

Alfred Pringsheim was een bekend wiskundig hoogleraar aan de universiteit te München en verzamelaar, wiens majolica en collectie zilveren en vergulde objecten internationale bekendheid genoten. Het Joodse echtpaar Alfred en Hedwig Pringsheim werd al in 1933 gedwongen hun huis, een voor hen gebouwde ‘paleis’ aan de Narcisstraße, aan de Nationalsozialistischer Deutscher Arbeitersverein te verkopen. Omdat de collectie een groot deel van hun vermogen besloeg, werden al vanaf dat jaar pogingen gedaan delen van de verzameling te verkopen, waaronder de stukken majolica. Vanaf 1936 werd dit volledig onmogelijk: de majolica collectie kwam op een lijst van nationaal erfgoed en mocht niet worden geëxporteerd. In 1937 werden hun paspoorten afgenomen, waardoor het voor de Pringsheims onmogelijk werd te vluchten. 21 november 1938 werd een groot deel van hun collectie in beslag genomen door de Gestapo, waaronder het zilver en de schilderijen. Uiteindelijk kreeg het echtpaar toestemming de collectie in het buitenland te veilen, op voorwaarde dat een aantal stukken uit deze collectie samen met twee zilveren bekers van Ludwig Krug zou worden ‘geschonken’ aan de staat. De veiling vond plaats in juni en juli 1939 bij Sotheby’s in Londen. Een groot deel van de (lage) veilingopbrengst moest worden overgemaakt naar de staat, het resterende bedrag gebruikten Alfred en Hedwig Pringsheim voor hun emigratie naar Zwitserland, waar zij in ballingschap overleden. Na de Tweede Wereldoorlog is alsnog de volledige veilingopbrengst uitbetaald en zijn de door de nazi’s in beslaggenomen objecten (edelmetaal en andere voorwerpen) teruggegeven aan de erven Pringsheim.

Deze zeven majolica objecten kwamen in de collectie van het museum terecht door de aankoop van de collectie van het echtpaar Jaap Bastert (1891-1876) en Iet van Schaardenburg (1894-1985). Zij hadden de stukken in 1939 via Hein Hamer op de veilingen van de Pringsheims in Londen gekocht.

Deze objecten staan tevens op de website van Museale Verwervingen vanaf 1933.

Een albarello uit de voormalige collectie Pringsheim
Een albarello uit de voormalige collectie Pringsheim
Een apothekerspot uit de voormalige collectie Pringsheim
Een apothekerspot uit de voormalige collectie Pringsheim

'De schilderijen-liefhebbers' door Honoré Daumier

Dit schilderij werd samen met 'De kwijtschelding' door kunsthandelaar Jacques Goudstikker aan D.G. van Beuningen verkocht in april 1939. Met de aankoop van de kunstcollectie uit de nalatenschap van D.G. van Beuningen kwam het in het museum terecht in 1958. Het is niet bekend van wie en wanneer Goudstikker deze schilderijen kocht. 'De schilderijen-liefhebbers' lijkt in ieder geval sinds 1930 tot en met 1937 in het bezit te zijn geweest van de Duits-Joodse bankier en kunstverzamelaar Jakob Goldschmidt. Hij woonde in Berlijn, maar voelde zich na de machtsovername van de nazi’s gedwongen de stad te verlaten met een deel van zijn kunstcollectie. Vanaf 1933 trok Goldschmidt door verschillende Europese steden, om zich in de VS te vestigen in 1936, waar hij in 1955 overleed. Het achtergebleven deel van zijn verzameling werd in de jaren ’40 door de nazi’s in beslag genomen. Dit schilderij maakte geen deel uit van deze beslagname, maar het blijft de vraag wanneer en onder welke omstandigheden het uit de collectie van Goldschmidt raakte.

Dit schilderij staat tevens op de website van Museale Verwervingen vanaf 1933.

De schilderijen-liefhebbers, Honoré Daumier, 1860-1865, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958
De schilderijen-liefhebbers, Honoré Daumier, 1860-1865, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958

'De kwijtschelding' door Honoré Daumier

Dit schilderij werd samen met 'De schilderijen-liefhebbers' door kunsthandelaar Jacques Goudstikker aan D.G. van Beuningen verkocht in april 1939. Met de aankoop van de kunstcollectie uit de nalatenschap van D.G. van Beuningen kwam het in het museum terecht in 1958. Het is niet bekend van wie en wanneer Goudstikker deze schilderijen kocht. 'De kwijtschelding' lijkt in ieder geval sinds 1930 tot en met 1937 (mogelijk 1938) in het bezit te zijn geweest van de Duits-Joodse bankier en kunstverzamelaar Jakob Goldschmidt. Hij woonde in Berlijn, maar voelde zich al vroeg in de oorlog gedwongen de stad te verlaten met een deel van zijn kunstcollectie. Goldschmidt vluchtte uit de Duitse hoofdstad in 1933, om zich in de VS te vestigen in 1936, waar hij in 1955 overleed. Het achtergebleven deel van zijn verzameling werd in de jaren ’40 door de nazi’s in beslag genomen. Dit schilderij maakte geen deel uit van deze beslagname, maar het blijft de vraag wanneer en onder welke omstandigheden het uit de collectie van Goldschmidt raakte.

Dit schilderij staat tevens op de website van Museale Verwervingen vanaf 1933.

De kwijtschelding, Honoré Daumier, 1860-1865, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958
De kwijtschelding, Honoré Daumier, 1860-1865, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958

'Straattafereel' door Honoré Daumier

'Straattafereel', geschilderd door Honoré Daumier, werd in juni 1939 door de kunsthandelaar Jacques Goudstikker aan D.G. van Beuningen verkocht. Met de aankoop van de kunstcollectie uit de nalatenschap van D.G. van Beuningen kwam het in het museum terecht in 1958. Het is niet bekend van wie en wanneer Goudstikker het schilderij kocht. Het lijkt erop dat het in ieder geval vanaf 1926 tot een momenteel onbekend jaar na 1930 in de collectie van de Duits-Joodse ondernemer en kunstverzamelaar Otto Blumenfeld uit Hamburg was. Blumenfeld moest de stad in 1938 ontvluchten en vertrok naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij in 1975 overleed. Het is niet bekend wanneer 'Straattafereel' uit het bezit van Blumenfeld raakte, en onder welke omstandigheden dit plaatsvond.

Dit schilderij staat tevens op de website van Museale Verwervingen vanaf 1933.

'Straattafereel' door Honoré Daumier
Straattafereel, Honoré Daumier, 1860-1865, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958

'Een bisschop geknield voor de H. Petrus' door Anoniem, navolger Anthonie van Dyck

De olieverfschets 'Een bisschop geknield' voor de H. Petrus door een navolger van Anthonie van Dyck maakte deel uit van een boedelveiling als 'Der thronende St. Marcus […]' , destijds toegeschreven aan Van Dyck, bij het Berlijnse veilinghuis Mandelbaum & Kronthal in 1936. Hier werden de collectie en het interieur van Bleibtreustr. 17, Charlottenburg, Berlijn geveild. Het is momenteel niet bekend wie op dat moment op dit adres woonde - afgezien van de notitie dat het een arts en verzamelaar was -, en onder welke omstandigheden deze veiling plaatsvond. Het werk kwam vervolgens in het bezit van de Duits-Joodse kunsthistoricus en schrijver Lothar Brieger-Wasservogel, die het waarschijnlijk op of kort na de genoemde veiling kocht. Brieger vluchtte uit Berlijn naar Shanghai in 1938. Hij keerde terug naar Berlijn in 1947 voor een academische positie, waar hij overleed in 1949. Het is niet bekend onder welke omstandigheden het schilderij uit het bezit van Brieger raakte. Het werk werd in 1955 in Parijs geveild, maar de inbrenger is niet bekend. Het werd opnieuw in Parijs geveild in 1968, waarna het in het bezit kwam van de Londense kunsthandel P. & D. Colnaghi, die het aan het museum verkocht in 1969.

Deze olieverfschets staat tevens op de website van Museale Verwervingen vanaf 1933.

Een bisschop geknield voor de H. Petrus door Anoniem, navolger van Anthonie van Dyck, circa 1630, aankoop 1969
Een bisschop geknield voor de H. Petrus door Anoniem, navolger van Anthonie van Dyck, circa 1630, aankoop 1969

'Schrijvend meisje aan een tafel' door Max Liebermann

Deze tekening van de Joodse kunstenaar Max Liebermann werd bij Paul Brandt te Amsterdam in 1959 geveild als onderdeel van de nalatenschap van de Joodse kunsthistoricus Max J. Friedländer, waar het door het museum werd aangekocht. Het is niet bekend hoe het werk in het bezit van Friedländer raakte. Het lijkt echter zeer waarschijnlijk dat dit gebeurde na het overlijden van Liebermann, met wie Friedländer bevriend was, gezien er een nalatenschapstempel in de linkerhoek van de tekening te zien is. Deze stempel werd door de weduwe van de kunstenaar, Martha Liebermann, aangebracht op de kunstwerken die aanwezig waren in Liebermann’s atelier na zijn overlijden in februari 1935. Na de zelfmoord van Martha Liebermann in 1943 werd Liebermann’s kunstverzameling in beslag genomen door de nazi’s. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat deze tekening deel uitmaakte van de in beslag genomen nalatenschap van Martha Liebermann.

Deze tekening staat tevens op de website van Museale Verwervingen vanaf 1933.

'Schrijvend meisje aan een tafel' door Max Liebermann
Schrijvend meisje aan een tafel, Max Liebermann, 1890-1895, aankoop 1959

'De bewening van Christus' door Hans Memling

Het schilderij 'De bewening van Christus' door Hans Memling was in 1936 in bezit van Arthur Goldschmidt, een uit Duitsland gevluchte Joodse kunsthandelaar van wie de naam wordt geassocieerd met de handel in geroofde kunst. Goldschmidt vestigde zich in 1936 in Parijs aan de Place Vendôme samen met Paul Graupe, een andere Berlijnse kunsthandelaar. Na de bezetting van Parijs door de Duitsers in 1940, is hun handelsvoorraad geconfisqueerd en is Goldschmidt gevangengenomen. Na zes maanden werd hij vrijgelaten en is hij via Spanje uiteindelijk in Havana (Cuba) terechtgekomen, waar hij zijn kunsthandel voortzette. Het is onbekend van wie en wanneer Goldschmidt het schilderij 'De bewening van Christus' heeft verworven. Het was in ieder geval tot 1917 in bezit van Richard von Kaufmann in Berlijn. In 1936 werd het schilderij van Goldschmidt gekocht door D.G. van Beuningen. Met diens verzameling kwam het in 1958 in het museum terecht.

Dit schilderij staat tevens op de website van Museale Verwervingen vanaf 1933.

'De bewening van Christus' door Hans Memling
De bewening van Christus, Hans Memling, circa 1480, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958

'Maria met kind dat een appel vasthoudt' door de Meester van de Magdalena-legende

Het schilderij 'Maria met kind dat een appel vasthoudt' van de Meester van de Magdalena-legende werd op 21 november 1932 geveild door Galleria Scopinich in Milaan (nr. 136, als Rogier van der Weyden). In 1937 was het werk in handen van dr. Hans Wendland, een Duitse kunsthandelaar die bekend staat om de handel in geroofde kunst tijdens de oorlogsperiode. Hij was een leidende persoon in transacties tussen Duitsland, Frankrijk en Zwitserland. Vanaf 1938 was het schilderij in bezit van D.G. van Beuningen, met wiens collectie het uiteindelijk in 1958 in het museum kwam. Het is onbekend wie in 1932 de koper was op de veiling van Galleria Scopinich te Milaan. Daarnaast is niet bekend wanneer en van wie dr. Wendland het werk heeft verworven en hoe Van Beuningen in bezit kwam van het schilderij.

Dit schilderij staat tevens op de website van Museale Verwervingen vanaf 1933.

'Maria met kind dat een appel vasthoudt' door de Meester van de Magdalena-legende
Maria met kind dat een appel vasthoudt, Meester van de Magdalena-legende, circa 1500, verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen 1958