Previous Next Facebook Instagram Twitter Pinterest Back to top

Abraham Bloemaert

Gorinchem 1566 - Utrecht 1651

Auteur: Albert Elen

Wat Goltzius en Cornelis van Haarlem betekenden voor Haarlem, waren Joachim Wtewael en Abraham Bloemaert voor Utrecht: de verpersoonlijking van de locale schilderschool. Bloemaert heeft het grootste deel van zijn uitzonderlijk lange en productieve leven gewoond en gewerkt in de domstad. Anders dan vele van zijn tijdgenoten maakte hij geen studiereis naar Rome en is hij niet in de leer geweest bij enig kunstenaar van naam (Joos de Beer in Utrecht en Hiëronymus Francken in Parijs zijn de twee meest relevante). Zijn enige buitenlandse verblijf was gedurende drie jaar in Parijs (ca. 1582-83). Volgens kunstenaarsbiograaf Van Mander is Bloemaert ‘een overtreffende Meester (doch soo men seggen mocht) sonder Meester geworden’.1 Het gemis aan goed tekenonderricht heeft Bloemaert ondervangen door dagelijks te tekenen, uit de fantasie, naar levend model en in de natuur in de omgeving van Utrecht. Tekenen is bij hem niet alleen een essentieel onderdeel van het creatieve proces, maar tevens een doel op zich.

Bijzonder is het feit dat Bloemaert als katholiek kunstenaar, geboren in het jaar van de Beeldenstorm, zich al vroeg een solide positie heeft weten te verwerven. De basis daarvoor legde hij in zijn eerste jaren in Utrecht (1585-91) en een verblijf van twee à drie jaar in Amsterdam (1591-93), waar zijn vader als stadsarchitect was benoemd. Na diens dood eind 1593 vestigde hij zich definitief in Utrecht. Hij beschikte over een grote clientèle en werd alom gerespecteerd vanwege zijn kunstwerken en educatieve kwaliteiten, met meer dan honderd leerlingen en drie zoons die hetzelfde beroep kozen. Bijbelse voorstellingen en uitbeeldingen van heiligen zijn in Bloemaerts oeuvre in overvloed aanwezig. Zijn vroegste werken, vooral groot formaat schilderijen, die vanaf 1591 gedocumenteerd zijn, beelden ook vaak mythologische thema’s uit, in een op voorbeelden van Goltzius en Bartholomeus Spranger geënte maniëristische stijl. Vanaf het begin van de jaren twintig van de zeventiende eeuw toont zich de invloed van de Utrechtse caravaggisten. Zijn latere werk vanaf de jaren 1630 is classicistisch.

Naast schilderijen, die hij voorbereidde in compositietekeningen en afzonderlijk getekende studies, heeft Bloemaert zich van begin af aan ook toegelegd op het maken van ontwerpen voor prenten. Deze ontwerptekeningen, die vaak tegelijkertijd dienden als zelfstandige kunstwerken voor de verkoop - zogenaamde ‘picture drawings’ - werden gegraveerd door de belangrijke graveurs van zijn tijd, Jan Harmensz. Muller, Jacques de Gheyn, Jacob Matham en Jan Saenredam. Aan het eind van zijn leven hebben zijn zoons Frederick en Cornelis Bloemaert tekeningen uit zijn omvangrijke atelierthesaurus gebruikt als ontwerpen voor gravures en etsen, die als losse prentenseries of als (gebonden) ‘tekenboek’ zijn uitgegeven, het Artis Apellae liber […] - in de editie van Bernard Picart van 1740 omgedoopt in Oorspronkelyk en vermaard konstryk tekenboek van Abraham Bloemaert […]. Dat heeft verschillende edities gekend en generaties lang bijgedragen aan de vorming van aankomende kunstenaars.

Leven en werken van Bloemaert zijn vanaf 1590 goed gedocumenteerd en gepubliceerd. Dit is vooral te danken aan zijn tijdgenoot kunstenaarsbiograaf Karel van Mander (1548-1606), die de eerste helft van zijn leven vrij uitvoerig beschreven heeft.2 Deze informatie is vier eeuwen later aangevuld met biografische gegevens uit archiefonderzoek van Marten Jan Bok, welke zijn gepubliceerd in de eerste oeuvrecatalogus van de 209 schilderijen en 624 prenten van Bloemaert door Marcel Roethlisberger (1993). Met de eveneens tweedelige oeuvrecatalogus van de ongeveer 1.700 tekeningen door Jacob Bolten (2007), voorafgegaan door de monografische studie van Gero Seelig (1997), is leven en werk van de kunstenaar volledig wetenschappelijk ontsloten. Een monografische tentoonstelling in Utrecht en Schwerin in 2011-2012 heeft Bloemaert ook bij het grote publiek naamsbekendheid gegeven.

Noten

1 Van Mander 1604, fol 297v, regels 21-22 (ed. Miedema 1994, vol. 1, p. 448).

2 Van Mander 1604, fols 297r-298r (ed. Miedema 1994, vol. 1, pp. 446-450).

Lees verder Lees minder