:host { --enviso-primary-color: #FF8A21; --enviso-secondary-color: #FF8A21; font-family: 'boijmans-font', Arial, Helvetica,sans-serif; } .enviso-basket-button-wrapper { position: relative; top: 5px; } .enviso-btn { font-size: 22px; } .enviso-basket-button-items-amount { font-size: 12px; line-height: 1; background: #F18700; color: white; border-radius: 50%; width: 24px; height: 24px; min-width: 0; display: flex; align-items: center; justify-content: center; text-align: center; font-weight: bold; padding: 0; top: -13px; right: -12px; } .enviso-dialog-content { overflow: auto; } Previous Next Facebook Instagram Twitter Pinterest Tiktok Linkedin Back to top

Vrouwen in het museum

De rol en invloed van vrouwelijke medewerkers bij Museum Boymans tussen 1935 en 1956

Auteur: Eva van Bladel

Gelieve als volgt naar dit artikel te refereren:
Eva van Bladel, Vrouwen in het museum: de rol en invloed van vrouwelijke medewerkers bij Museum Boymans tussen 1935 en 1956, Rotterdam (Museum Boijmans Van Beuningen) 2026, geraadpleegd [datum van raadpleging], https://www.boijmans.nl/collectie/onderzoek/Vrouwen-in-het-museum.

Ga direct naar

‘Ik kom thans tot de eigenlijke werkkringen, die voor de universitair opgeleide kunsthistorica openstaan, en noem dan in de eerste en voornaamste plaats het werk aan een museum. [...] Zij kan, al naar gelang zij meer wetenschappelijk wil werken, of meer administratief of meer tact heeft om met menschen om te gaan, haar plaats aan een museum vinden [...]. Alles te zamen vindt aan de musea de kunsthistorica een werkkring, die wel haast in alle rangen geschikt is voor een vrouw en haar afwisselend en veelal boeiend werk biedt’, zo schreef kunsthistoricus Elisabeth Neurdenburg (1882-1957) in 1920 in het zesde deel van een feuilleton over vrouwenstudies voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant.1

Al sinds de oprichting van Nederlandse musea spelen vrouwen een rol in de museale wereld: als bezoeker, schenker, oprichter of medewerker. Museum Boijmans Van Beuningen, dat tot 1958 Museum Boymans werd genoemd, vormt daarop geen uitzondering.2 Over de periode waarin het museum nog in het Schielandhuis was gehuisvest, zijn in de archieven de namen van slechts vijf vrouwelijke medewerkers te vinden: de kunsthistorici Jo Zwartendijk (1889-1938) en Gerardina van Ysselsteyn (1892-1975) en drie schoonmakers genaamd E. Steeger (?-?), Maria Trieborn-Rijsburg (1858-1938) en Jacoba Rauws-Lancel (1899-?). Zwartendijk was tussen 1915 en 1920 werkzaam als assistent en Van Ysselsteyn was van 1932 tot 1933 volontair in het museum.3 Na 1935 zou dit aantal echter aanzienlijk stijgen.

Dit artikel onderzoekt de rol en invloed van vrouwelijke medewerkers bij Museum Boijmans Van Beuningen tussen 1935 en 1956. In 1935 werd het nieuwe, grotere museumgebouw aan het Museumpark geopend en dit creëerde meer werkgelegenheid, ook voor vrouwen. Vanaf dat moment is er dan ook een toename in het aantal vrouwelijke medewerkers te zien, onder wie sommigen zich door de jaren heen van volontair tot conservator opwerkten. Het onderzoek eindigt om twee redenen in 1956. Allereerst zijn er tussen 1956 en 1973 geen jaarverslagen van het museum geschreven, wat een groot gat slaat in de systematische documentatie van deze medewerkers. Bovendien werd in 1956 in Nederland de Wet handelingsonbekwaamheid afgeschaft dankzij de inzet van PvdA-kamerlid Corry Tendeloo (1897-1956). Tot die tijd waren vrouwen die in betaalde dienst werkten nog verplicht om ontslag te nemen nadat ze in het huwelijk waren getreden. Dit betrof een aanzienlijk deel van de vrouwelijke bevolking, want aan het begin van de twintigste eeuw trouwde meer dan negentig procent van de Nederlandse vrouwen. De afschaffing van de handelingsonbekwaamheidwet zorgde na 1956 dan ook voor een grote toename in het aantal vrouwen dat betaald werk verrichtte, ook na hun huwelijk.4 Dit onderzoek is bewust gericht op de periode waarin dit voor hen nog minder gemakkelijk was.

Vrouwelijke museummedewerkers zijn nog maar nauwelijks onderwerp van onderzoek geweest, maar platforms als De Andere Helft benadrukten de afgelopen jaren al wel hoe waardevol onderzoek naar vrouwen in de Nederlandse kunstwereld kan zijn en welke belangrijke rollen zij hierin speelden.5 Dit artikel sluit daarbij aan. Allereerst plaatst het Museum Boijmans Van Beuningen binnen de maatschappelijke en museale ontwikkelingen van de eerste helft van de twintigste eeuw, en kijkt daarbij naar de rol van Rotterdam en haar inwoners bij de professionalisering van het museum. Vervolgens worden de museale functies vanuit een feministisch perspectief bestudeerd en wordt onderzocht welke rollen vrouwen vervulden of (onterecht) kregen toebedeeld, en hoe dit in verhouding stond tot hun mannelijke collega’s. Wat was de impact van deze vrouwen op het museum en hoe verhoudt die invloed zich tot die van mannelijke medewerkers?

Voor dit onderzoek zijn de namen verzameld van 33 vrouwen die allen op verschillende manieren werkzaam waren binnen het museum, van wetenschappelijk medewerker tot schoonmaker (afb. 1). De museale functies van schoonmaker en educator zijn in het verdere onderzoek echter buiten beschouwing gelaten. Schoonmakers bleken bij een gebrek aan biografische gegevens – vaak zijn alleen de voorletter en achternaam bekend – slecht te traceren. Medewerkers van de educatieafdeling bekleedden een functie als pedagogisch ambtenaar, waardoor zij onder de gemeentelijke afdeling Kunstzaken ressorteerden en niet direct bij Museum Boymans in dienst waren.6

Afb. 1. Overzicht van vrouwelijke medewerkers tussen 1935 en 1956
Afb. 1. Overzicht van vrouwelijke medewerkers tussen 1935 en 1956

De jaren dertig van de twintigste eeuw vormden een periode van grote maatschappelijke veranderingen, ook voor vrouwen: aan de ene kant werden hun kansen op de arbeidsmarkt beperkt door economische onzekerheid, tegelijkertijd werden er emancipatoire stappen gezet. Na de Beurskrach van 1929 werden nieuwe wetsvoorstellen gedaan om de rechten van werkende vrouwen te beperken en zo de positie van mannen op de arbeidsmarkt te beschermen. In 1937 trachtte minister van Sociale Zaken Carl Romme (1896-1980) het werk voor getrouwde vrouwen zelfs compleet te verbieden en hoopte daarmee de werkloosheid onder mannen tegen te gaan. Als argument werd aangevoerd dat vrouwen zichzelf een vrijwillige restrictie oplegden door te trouwen. Na het huwelijk was het immers de taak van de vrouw om thuis te blijven en zich over het huishouden te ontfermen.7 Tussen de jaren dertig en vijftig van de vorige eeuw werkte nog geen vijf procent van de gehuwde vrouwen in loondienst, onder wie een groot gedeelte ook geen kinderen had.8

Een compleet werkverbod voor vrouwen in alle sectoren kwam er uiteindelijk niet, maar het werd wel ingesteld voor het ambtelijk apparaat en het onderwijs. Omdat Museum Boymans destijds een gemeentelijke instelling was, ressorteerde de museumstaf onder de ambtenarenwetgeving. De Wet handelingsonbekwaamheid maakte het tot 1957 daarom vrijwel onmogelijk voor getrouwde vrouwen om betaald werk in het museum te verrichten. Wel konden zij in sommige gevallen als volontair, en dus meestal onbetaald, aan het werk. Dit konden overigens alleen vrouwen in welgestelde kringen zich veroorloven. 

Nederlandse kunstmusea werden in het eerste kwart van de twintigste eeuw ofwel door de overheid, ofwel particulier gefinancierd en georganiseerd.9 De museumstaf bestond aanvankelijk slechts uit een directeur en een assistent; alleen in sommige gevallen waren er aanvullend één of meerdere volontairs werkzaam. Het museum had niet veel personeel nodig omdat het weinig tentoonstellingen organiseerde en nog geen tiende van het tegenwoordige aantal bezoekers trok.10 De directeur was meestal iemand die affiniteit had met kunst, bijvoorbeeld als kunstenaar, kunstverzamelaar of kunsthistoricus, en combineerde zijn werkzaamheden meestal met het directeurschap van het museum. In het geval van Museum Boymans was dit vanaf 1895 al niet meer aan de orde nadat het salaris van de directeur was verviervoudigd, waarmee de directeursfunctie een volwaardige betrekking werd.11

Vanaf het tweede kwart van de twintigste eeuw nam zowel het aantal tentoonstellingen als het aantal bezoekers sterk toe. Mede door de oprichting van het International Office of Museums in 1926 maakten musea in heel Europa tijdens het interbellum een professionaliseringsslag door.12 Zowel de economische welvaart als de financiële steun en schenkingen van particulieren zorgden voor een groei van museumcollecties. Door de toenemende verantwoordelijkheden van het museumpersoneel was een uitbreiding van de staf nodig, wat ook voor vrouwen meer mogelijkheden op de werkvloer creëerde.

De vrouwelijke medewerkers van Museum Boymans hadden via familieleden vaak al een connectie met het museum voordat zij er kwamen werken. Zij kregen een aanstelling als volontair of assistent, en hielden zich bezig met taken als het schrijven van brieven of het catalogiseren van de museumcollectie. Vaak behoorden deze families tot de meest invloedrijken van de stad.  Zo waren museummedewerkers Tinta Drost (1910-1997) en Hermine Crol (1913-1973) dochters van Rotterdamse advocaten.

Met de opkomst van Rotterdamse handelsfamilies en hun toenemende welvaart maakte de stad aan het begin van de twintigste eeuw een enorme economische groei door.13 Havenbaronnen en bankiers, onder wie telgen van de families Van Beuningen, De Monchy en Mees, behoorden tot de nouveau riche en wilden zich ook cultureel voor de stad inzetten. Zij hadden nauwe banden met culturele instellingen door heel Nederland, en in Rotterdam met Museum Boymans. De in Den Haag geboren museumdirecteur Dirk Hannema (1895-1984) kwam uit een milieu van kunstverzamelaars. Zo was Hannema’s moeder, Hermine Elise (Minnie) Hannema-de Stuers (1862-1940), een trouwe leerling van kunstpedagoog H.P. Bremmer (1871-1956). Hij verzorgde cursussen door heel Nederland en bereikte daarmee ook in Rotterdam een invloedrijke kring, waaronder de families Hintzen, Mees, s’Jacob en Van Stolk. Al deze families wierpen zich op als schenker of begunstiger van het museum.14

Een aantal familieleden van vrouwelijke medewerkers was bij het museum betrokken via de Commissie van Toezicht. Deze commissie, opgericht in 1847 om de directeur in het reilen en zeilen van het museum te assisteren, bestond uit de burgemeester van Rotterdam, twee wethouders, twee raadsleden en twee leden uit de burgerij, waarbij het aantal van laatstgenoemde groep nog weleens kon verschillen. De commissie was verantwoordelijk voor formele zaken, zoals het nemen van financiële besluiten, maar ook voor het aanwijzen van de museumdirecteur.15 Zo was Johannes Drost (1852-1905), de grootvader van secretaresse Tinta Drost, tussen 1893 en 1905 wethouder Onderwijs in Rotterdam. Dominicus Blankenheym (1797-1872), oudoom van de moeder van assistent-secretaresse Reina Croll (1913-1993), was wethouder van Rotterdam tussen 1856 en 1867. Een overzicht van alle commissieleden tussen 1854 en 1943 is in bijlage 1 te vinden.

  • bijlage 1. Commissieleden van Museum Boymans 1854-1943 download

Families uit de hogere maatschappelijke klasse waren ook via kunstverenigingen met elkaar verbonden. Veel Rotterdamse kunstenaars en verzamelaars waren lid van de Rotterdamsche Kunstkring, waar lezingen en tentoonstellingen werden georganiseerd.16 De Kunstkring werd in 1893 door zeven notabelen opgericht, onder wie toenmalig directeur van Museum Boymans Pieter Haverkorn van Rijsewijk (1839-1919).17 Ook namen van veel prominente Rotterdamse families zijn op de ledenlijsten terug te vinden.

Opmerkelijk genoeg konden ook vrouwen al vanaf het eerste uur bij de Kunstkring een lidmaatschap afsluiten (afb. 2).18 Zij die geen lid waren, mochten als introducee mee naar evenementen. De enige vrouwelijke medewerker van Museum Boymans met een lidmaatschap in de periode 1935-1956 was wetenschappelijk assistent en later (hoofd) conservator Bernardine de Neeve (1915-1996).19 Wel zijn veel familieleden van vrouwelijke medewerkers op de adressenlijst van leden van de Rotterdamsche Kunstkring terug te vinden, zoals Catharina Crol-Doijer (1892-1969), de moeder van Hermine Crol, en Johannes Drost, de broer of vader van Tinta Drost.20

In Rotterdam waren de Rotterdamsche Kunstkring en Museum Boymans belangrijke locaties voor het bezichtigen van kunst.21 Beide instellingen waren bovendien nauw met elkaar verbonden, met Haverkorn van Rijsewijk als oprichter van de Kunstkring en directeur van het museum, en met Hannema die vanaf 1921 betrokken was als bestuurslid van de Kunstkring en niet veel later museumdirecteur werd.22 Bovendien is er een duidelijke correlatie tussen namen van schenkers en legatoren van het museum met een lidmaatschap bij de Kunstkring. Zo waren Johannes Baptista Crol (1877-1964) en zijn zoon Stephanus Justus Crol (1915-2000) lid van de Kunstkring en schonk Esther Crol-Halbertsma (1881-1970), vrouw en moeder van de bovengenoemden, in 1940 meerdere werken aan het museum. Ook schonk de familie Drost geregeld aan het museum en was Tinta’s broer Jan Drost (1905-1991) bestuurslid van de Kunstkring. De Kunstkring gold dus als een belangrijke vereniging voor Rotterdamse kunstliefhebbers. Ditzelfde publiek vond elkaar bovendien in de kringen van Museum Boymans, of tijdens de lessen kunstbeschouwing van Bremmer.

Afb. 2. De Britse auteur en journalist Sir Evelyn Wrench brengt een bezoek aan de Rotterdamsche Kunstkring, 1933, XXXIII-351, Stadsarchief Rotterdam. De foto laat goed zien dat al vroeg een relatief groot aantal vrouwen bij de Kunstkring betrokken was.
Afb. 2. De Britse auteur en journalist Sir Evelyn Wrench brengt een bezoek aan de Rotterdamsche Kunstkring, 1933, XXXIII-351, Stadsarchief Rotterdam. De foto laat goed zien dat al vroeg een relatief groot aantal vrouwen bij de Kunstkring betrokken was.

De studie kunstgeschiedenis was in de vroege twintigste eeuw nog een relatief jonge discipline, en niet alle opleidingsmogelijkheden waren even academisch van aard. Kunstpedagoog Bremmer was bijvoorbeeld geen docent kunstgeschiedenis zoals wij die vandaag de dag kennen. Zijn leerlingen hielden zich bezig met ‘kunstbeschouwing’, door hem ook wel ‘Practische Aesthetica’ genoemd. De cursussen richtten zich op het kijken naar de esthetiek van kunst, door kunstwerken met elkaar te vergelijken, ongeacht de periode en de ontstaanswijze.23 Net als kunstcriticus en schilder Jan Veth (1864-1925) achtte Bremmer de mening van een kunstenaar veel hoger dan die van een kunsthistoricus; zelf had hij dan ook geen opleiding kunstgeschiedenis gevolgd.24

Onder de welvarende Rotterdamse families was Bremmer een populaire onderwijzer.25 Familieleden van vrouwelijke medewerkers van Museum Boymans vormden onderdeel van zijn clientèle. Zo was Esther Crol-Halbertsma, de achternicht van museumassistent Hermine Crol, een cursist van Bremmer, evenals één van de bestuursleden van de Rotterdamsche Kunstkring.26 Ook de moeder van Tinta Drost, Ariëtte Clara Agatha Drost-van der Stok (1879-1947) had in de jaren 1920 en 1930 haar eigen ‘Bremmerclubje’ aan huis.27

Volgens auteur Hildelies Balk is het aannemelijk dat Bremmers cursussen veelal door vrouwen werden gevolgd, en dat de mannen zo nu en dan een grote voordracht van Bremmer bijwoonden.28 Elsa Croll-de Kuyper (1888-?), de moeder van Reina Croll, was betrokken bij Bremmers cursussen en was onderdeel van de Bremmerclub die in 1943 door Grietie Smith-van Stolk (1860-1941) en Jeanne van Hoey Smith-van Stolk (1896-1971) werd opgezet nadat Bremmer met het geven van lessen was opgehouden. Bij deze latere Bremmerclub aan huis waren Hannema, D.G. van Beuningen (1877-1955) en Willem van der Vorm (1873-1957) ook regelmatig aanwezig. Hierdoor werden vrouwelijke leden ook bij de museumdirectie bekend.

Naast Bremmers kunstpedagogische cursussen deed ook de universitaire opleiding kunstgeschiedenis in de twintigste eeuw haar intrede in Nederland en werd academisch kunsthistorisch onderwijs ook voor vrouwen mogelijk. Overgewaaid uit Duitsland, waar de studie reeds als een volledige opleiding werd beschouwd, werd de eerste leerstoel in 1907 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht door Willem Vogelsang (1875-1954) bekleed.29 Deze academische opleiding had een andere insteek dan Bremmers kunstbeschouwing en onderwees studenten in het kunsthistorisch ‘zien’ met behulp van een theoretische basis. Hierbij baseerde Vogelsang zich voornamelijk op de theorieën van de Duitse kunsthistoricus Heinrich Wölflinn (1864-1945).30

Kunstgeschiedenis was in die vroege periode nog voornamelijk een studie die tijdverdrijf bood aan ongetrouwde vrouwen van hogere komaf. Het idee bestond dat zij met het oog op hun toekomstige rol als echtgenote en moeder over een bepaalde culturele kennis moesten beschikken.31 Toch besloot een groot deel van de eerste generatie afgestudeerden zich al meteen op de arbeidsmarkt te begeven en carrière te maken.32 Ruim de helft van de studenten bij Vogelsang was vrouw, van wie ongeveer de helft een diploma behaalde of uiteindelijk een loopbaan op academisch niveau had. Velen trouwden bewust niet, om zo hun kans op een betaalde loopbaan in de ambtelijke sector – het museum – te behouden.33 Het is dan ook niet verwonderlijk dat geen van de in dit artikel besproken vrouwelijke medewerkers van Museum Boymans gehuwd was; alleen zo konden zij hun betaalde functie behouden.

Onder de studenten die colleges van Vogelsang volgden kwam een aantal later bij Museum Boymans te werken, zoals Hannema die in 1921 museumdirecteur werd, en Johan Conrad (Coert) Ebbinge Wubben (1915-2014) die vanaf 1941 werkzaam was als conservator van het prentenkabinet, en vanaf 1945 als waarnemend directeur. Ook Ebbinge Wubbens voorganger, conservator Jan Gerrit van Gelder (1903-1980), en de wetenschappelijk medewerkers Ineke Ihle (1914-1999) en Bernardine de Neeve volgden lessen van Vogelsang.34 Kijkend naar de destijds werkzame vrouwen in Museum Boymans en het onderwijs dat zij hadden genoten, valt op dat de vrouwen die bij Vogelsang in de leer waren geweest, zoals De Neeve en Ihle, uiteindelijk een positie als wetenschappelijk assistent op een specifieke afdeling bekleedden of zelfs conservator werden. Dat gold ook voor voorganger Jo Zwartendijk; zij had aan de École du Louvre in Parijs een kunsthistorische opleiding gevolgd en werd na haar werkzaamheden als volontair aangesteld als eerste vrouwelijke wetenschappelijk assistent. De vrouwen die hoogstwaarschijnlijk lessen van Bremmer hadden bijgewoond, zoals Tinta Drost en Hermine Crol, bleven veelal werkzaam als ‘reguliere’ assistenten bij Museum Boymans, maar kregen elders wel een hogere aanstelling. Zo werd Crol in 1945 conservator van de Atlas Van Stolk en werd Drost in 1959 zelfs directeur van de Volksuniversiteit in Rotterdam.  

Vergeleken met andere overheidsfuncties was het voor vrouwen relatief gemakkelijk om de museumwereld binnen te treden. Dit had niet alleen met de lage salariëring in de museale sector te maken; zoals eerder ter sprake kwam, werd culturele ontwikkeling voor vrouwen uit de hogere klassen ook als onderdeel van de opvoeding gezien. Vrouwen die een positie in het museum wisten te bemachtigen waren vaak werkzaam in de bibliotheek, het archief of als assistent van de directeur. Ook waren veel vrouwen actief als volontair, wat voortkwam uit de ‘traditionele’ belangstelling van vrouwen voor het verrichten van liefdadigheidswerk en assisterend werk.35

De beperkte werving van personeel tijdens het directoraat van Hannema hing samen met het feit dat het museum tijdens zijn ambtstermijn nog voor enige tijd in het Schielandshuis was gevestigd, waar onvoldoende ruimte was voor uitbreiding. Dit is regelmatig terug te lezen in brieven van Hannema aan sollicitanten die vaak geruime tijd vóór de opening van het gebouw al naar een functie informeerden. Zo schreef de 26-jarige Elisabeth Artz (1907-1998), dochter van de eigenaren van Haagse kunsthandel Maison Artz, vergeefs een brief aan Hannema. Hij kon nog geen vroegtijdige toezeggingen doen (afb. 3 en 4).

Afb.3. Brief van Elisabeth Artz aan Hannema. Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 316, Stadsarchief Rotterdam (voorzijde)
Afb.3. Brief van Elisabeth Artz aan Hannema. Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 316, Stadsarchief Rotterdam (voorzijde)
Afb. 3. Brief van Elisabeth Artz aan Hannema. Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 316, Stadsarchief Rotterdam (achterzijde)
Afb. 3. Brief van Elisabeth Artz aan Hannema. Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 316, Stadsarchief Rotterdam (achterzijde)
Afb. 4. Brief van Hannema aan Elisabeth Artz. Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 316, Stadsarchief Rotterdam
Afb. 4. Brief van Hannema aan Elisabeth Artz. Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 316, Stadsarchief Rotterdam

Tegenover het college van burgemeester en wethouders (B&W) sprak Hannema in 1933 zijn zorgen uit over het feit dat het museum dat jaar nog steeds geen functie voor een conservator had, terwijl het Rijksmuseum in Amsterdam en het Gemeentemuseum in Den Haag dat wél hadden. Hierdoor zou het museum voor medewerkers geen vooruitzicht op een hoger gewaardeerde functie bieden.36 Dit leidde ertoe dat in 1938 de eerste conservator mocht worden aangesteld, een positie die door de uit Den Haag afkomstige Van Gelder werd vervuld. Hij was al sinds 1924 in het museum werkzaam, had een kunsthistorische opleiding onder Vogelsang afgerond, promoveerde in 1927 en was bovendien niet onbekend met de museumwereld. Zijn vader Hendrik Enno van Gelder (1876-1960) was museumdirecteur van het Gemeentemuseum in Den Haag. De tweede conservator in Museum Boymans zou pas in 1941 worden aangesteld, op de afdeling kunstnijverheid.37

Afb. 5. Gezicht op Museum Boymans aan de Mathenesserlaan, vanuit het noord-westen, 1935, XXI-68-00-05, Stadsarchief Rotterdam

Toen Museum Boymans in het Schielandshuis uit zijn voegen dreigde te barsten, werd in 1935 een nieuw museumgebouw aan de Mathenesserlaan geopend (afb. 5). Dat nieuwe onderkomen vereiste ook een uitbreiding van het museumpersoneel, waaronder de aanstelling van nieuwe assistenten. Een positie als (wetenschappelijk) assistent, wat in de literatuur vaak als een ‘typisch’ vrouwelijke functie wordt omschreven, werd in Museum Boymans door zowel mannen als vrouwen vervuld.38 Hoewel er binnen het museale veld een hiërarchie bestond tussen kunstvormen, waarbij schilderkunst als de hoogste en kunstnijverheid als een lagere kunstvorm werden gewaardeerd, lijkt deze strikte scheiding binnen Museum Boymans minder scherp te zijn geweest. Vrouwen waren verspreid over verschillende afdelingen actief. Ook leverden zij als (wetenschappelijk) assistenten substantiële bijdragen aan catalogi en het catalogiseren van de kunstcollectie, door bijvoorbeeld het verzamelen van informatie en het vertalen van teksten. Daarnaast waren er ook vrouwen onder de functietitel ‘schrijfster’ werkzaam, al is er door gebrekkige documentatie weinig over de exacte werkzaamheden van deze medewerkers en hun rol te vertellen.

Tussen 1935 en 1956 kreeg geen van de vrouwelijke medewerkers van Museum Boymans de officiële titel van ‘conservator’, maar als (wetenschappelijk) assistenten maakten zij zich wel onmisbaar voor het museum door aan catalogi bij te dragen, de collectie te ordenen en deze uit te breiden. Overigens vielen onder de functie van conservator toen nog niet exact dezelfde werkzaamheden als vandaag de dag. De eerste conservatoren hielden zich voornamelijk bezig met het ordenen en registreren van de museumcollectie en het verrichten van onderzoek naar bepaalde werken en veel minder met het maken van tentoonstellingen. Veel vrouwelijke medewerkers hadden vergelijkbare taken binnen hun functie, maar werden niet als conservator erkend.39

De functies die hierna worden beschreven zijn gebaseerd op contemporaine functieomschrijvingen zoals die in de jaarverslagen van het museum voorkomen.

Voordat Jan van Gelder tot conservator werd benoemd werkte hij, als opvolger van Jo Zwartendijk, als wetenschappelijk medewerker in het museum. De eerste wetenschappelijk medewerkers functioneerden naast hun werk als assistent voor de collectie ook als secretaris van de directeur. Van Gelder schreef in die hoedanigheid eindeloos veel brieven aan museumbezoekers die vragen over de collectie hadden en aan kunstenaars en kunstverzamelaars die werken aan het museum wilden schenken. Toen Tinta Drost in 1935 als secretaresse werd aangesteld, nam ze een groot deel van deze correspondentie over (afb. 6). In de jaarverslagen wordt ook naar de medewerkers Bernardine de Neeve en Ineke Ihle als ‘wetenschappelijk assistent’ verwezen, maar zij hielden zich voornamelijk bezig met het onderhouden en catalogiseren van de collectie en het verrichten van onderzoek. Assistent Hermine Crol ontving volgens de jaarverslagen nooit de titel ‘wetenschappelijk’ in haar functie, maar voerde in de beginjaren wel vergelijkbaar werk uit: het ordenen en catalogiseren van delen van de museumcollectie en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek.

Afb. 6. Tinta Drost, s.d.
Afb. 6. Tinta Drost, s.d.

De Neeve was één van de vrouwen die onder Hannema’s directeurschap werd aangesteld. Nadat ze haar studie aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam had afgerond, begon ze in 1937 op 22-jarige leeftijd haar loopbaan als assistent in het Rotterdamse Museum van Oudheden, waar ze zich bezighield met het in kaart brengen van de collectie. Hoewel Hannema sinds 1929 waarnemend directeur van dit museum was, ging het Schielandshuis, waar het Museum van Oudheden samen met Museum Boymans was ondergebracht, reeds in 1935 vanwege renovatie dicht. Hannema had verwacht dat deze werkzaamheden slechts een jaar zouden duren, maar het gebouw bleef uiteindelijk twintig jaar gesloten.40

In 1939, twee jaar na De Neeve’s aanstelling in het Museum van Oudheden, werd ze vrijwilliger op de afdeling kunstnijverheid van Museum Boymans en in 1941 wetenschappelijk assistent van conservator kunstnijverheid Jaap Bastert (1891-1976), in hetzelfde jaar waarin ze aan een opleiding kunstgeschiedenis bij Vogelsang begon. De Amsterdamse Bastert groeide op als zoon van een kunstschilder en was dus niet onbekend met de kunst- en cultuurwereld, maar had nooit een kunsthistorische opleiding gevolgd. Samen met zijn vrouw Iet van Schaardenburg (1894-1985), afkomstig uit een Rotterdamse koopmansfamilie, verzamelde Bastert keramiek en kreeg een aanstelling in het museum nadat het echtpaar er zijn grote collectie majolica had tentoongesteld en later ook zou schenken (afb. 7 en afb. 8).41

Als assistent van Bastert nam De Neeve veel initiatieven om de collectie kunstnijverheid uit te breiden en onder de aandacht te brengen. Zo was ze in 1950 betrokken bij de verwerving van een nieuwe kantcollectie van het echtpaar De Monchy-van der Hoeven en hielp ze bij het organiseren van meerdere tentoonstellingen voor de afdeling kunstnijverheid (afb. 9 en afb. 10).42 Toen Bastert in 1956 met pensioen ging, was het niet vanzelfsprekend dat De Neeve, die vijftien jaar zijn assistent was geweest, hem zou opvolgen. Bastert schreef in een brief aan keramiekverzamelaar Jacob Meint Noothoven van Goor (1897-1956) de indruk te hebben dat hij door een ‘zeer jonge man’ zou worden opgevolgd, maar het was De Neeve die de functie kreeg en tot haar pensionering in 1980 voor de gehele afdeling verantwoordelijk was.43 Tijdens haar werkzame jaren bij het museum had ze een bijzondere interesse in keramiek, glas en sieraden, en leverde een belangrijke bijdrage aan het museum door deze collecties aanzienlijk uit te breiden.

In 1948 werd Ineke Ihle aangesteld op de prentenafdeling en de museumbibliotheek. Ze was de enige vrouwelijke medewerker van het museum die in 1941 bij Vogelsang afstudeerde.44 Mogelijk had de voltooiing van haar studie invloed op haar aanstelling in het museum, maar ongetwijfeld speelde ook de band die ze had met haar studievriend Ebbinge Wubben een rol.45 Tijdens haar aanstelling schonk Ihle meerdere prenten aan het museum, waarmee ze in de collectie lacunes opvulde die ze door haar werkzaamheden op de prentenafdeling had weten te ontdekken. Ook publiceerde ze meerdere tentoonstellingscatalogi voor het museum, waarbij ze zich specialiseerde in Italiaanse prenten, tekeningen en houtsnedes.46 Opvallend genoeg kreeg ze pas in 1950 de titel ‘wetenschappelijk assistent’ en werd pas na 1956 conservator van het prentenkabinet, dit ondanks het feit dat er in de jaren 1940 en 1950 op deze afdeling al wel sprake was van een conservatorenfunctie. Die positie werd eerder door Van Gelder en Ebbinge Wubben bekleed.47 Het benadrukt wederom de rolverdeling tussen mannen en vrouwen binnen het museum: anders dan hun mannelijke collega’s werden vrouwen voor hun werkzaamheden niet in hun functieomschrijving erkend, terwijl ze toch soortgelijke opleidingen als mannen hadden gevolgd en vrijwel hetzelfde werk verrichtten.

Omdat de collectie in de jaren 1930 in rap tempo groeide en daarmee ook de correspondentie met het museum toenam, was een secretaris nodig. De keuze viel in 1935 op Tinta Drost, die zich in het begin van haar carrière bij het museum voornamelijk bezighield met het schrijven van brieven onder haar eigen naam en het opstellen van brieven die Hannema onder zijn naam kon versturen. Drost was geen onbekende voor Hannema, aangezien haar vader, Johannes Drost, een welbekende Rotterdamse advocaat was en Tinta’s broer, Jan Drost, zowel voorzitter van de Rotterdamsche Kunstkring als Hannema’s huisarts was.48 Als assistent van Hannema onderhield Drost een goede band met de museumdirecteur. Zo schreven zij elkaar geregeld vanaf hun vakantiebestemming, waarbij de inhoud uiteenliep van dringende museumzaken tot een beschrijving van de vakantieroute en kunst die onderweg werd bewonderd (afb. 11 en afb. 12). Drost werd in 1936, het jaar waarin een Jheronimus Bosch-tentoonstelling werd ontwikkeld, vergezeld door assistent-secretaresse Reina Croll. Nadat Croll haar werkzaamheden na vier weken had voltooid, nam ze zelfs nog even de taken van Drost op zich omdat deze op vakantie was en Hannema ‘het liefst één der invalsters, die hij reeds kent’ op haar plaats wilde.49 Ook hierna was Croll nog ruim een jaar werkzaam als volontair in de bibliotheek.

Afb. 11. Brief van Dirk Hannema aan Tinta Drost, 1938, Stadsarchief Rotterdam, toegang 181, inv. 335. Transcriptie:  ‘Agrigento Woensdag  Dank voor brief. Wat Cranach - [...] betreft kunt u mej. Zettels eens vragen wat de heer A.D. doet. Ik sluit mij geheel daarbij aan. Beatrix maakte een goede beurt! Ik kreeg zoo juist de Telegraaf en Het Leven. Het weer blijft hier schitterend en de tocht wordt met den dag boeiender. Mijn autotje is opperbest en verslindt honderden kilometers. Ik ruik hier Afrika! D. Hannema’
Afb. 11. Brief van Dirk Hannema aan Tinta Drost, 1938, Stadsarchief Rotterdam, toegang 181, inv. 335. Transcriptie: ‘Agrigento Woensdag Dank voor brief. Wat Cranach - [...] betreft kunt u mej. Zettels eens vragen wat de heer A.D. doet. Ik sluit mij geheel daarbij aan. Beatrix maakte een goede beurt! Ik kreeg zoo juist de Telegraaf en Het Leven. Het weer blijft hier schitterend en de tocht wordt met den dag boeiender. Mijn autotje is opperbest en verslindt honderden kilometers. Ik ruik hier Afrika! D. Hannema’
Afb. 12. Brief van Tinta Drost aan Dirk Hannema, 1938, Stadsarchief Rotterdam, toegang 181, inv. 336. Transcriptie: ‘Hohwald, 19 juli 1938 Wij genieten van een heerlijke rustige vacantie in een prachtige omgeving met eindelooze bosschen en groene glooiende vlakten, waar autotochten en wandelingen verrukkelijk zijn. Gisteren namen wij een kunsthapje in Colmar, met het zelfzaam mooie Isenheimer altaar: ik hoop de tentoonstelling in Grünewald nu ook te waardeeren en bewonderen. Men praat in de Vogezen Fransch, Duits en voornamelijk Nederlandsch! Er zijn ongehoord veel landgenoten ten navolging van H.M. wier portret in de hal van het hotel prijkt boven Joffre. Vriendelijke groeten, A.C.A. Drost’
Afb. 12. Brief van Tinta Drost aan Dirk Hannema, 1938, Stadsarchief Rotterdam, toegang 181, inv. 336. Transcriptie: ‘Hohwald, 19 juli 1938 Wij genieten van een heerlijke rustige vacantie in een prachtige omgeving met eindelooze bosschen en groene glooiende vlakten, waar autotochten en wandelingen verrukkelijk zijn. Gisteren namen wij een kunsthapje in Colmar, met het zelfzaam mooie Isenheimer altaar: ik hoop de tentoonstelling in Grünewald nu ook te waardeeren en bewonderen. Men praat in de Vogezen Fransch, Duits en voornamelijk Nederlandsch! Er zijn ongehoord veel landgenoten ten navolging van H.M. wier portret in de hal van het hotel prijkt boven Joffre. Vriendelijke groeten, A.C.A. Drost’

Hoewel Hermine Crol in 1937 werd aangesteld als assistent in het Museum van Oudheden en in 1940 ‘registratrice’ werd, verrichtte ze veel werkzaamheden die haar de functietitel ‘wetenschappelijk assistent’ hadden bezorgd. Zoals eerder vermeld, was Hannema ook directeur van het Museum van Oudheden, al was dat museum dan voor een groot deel tijdens zijn directoraat gesloten. Crol hield zich bezig met het in kaart brengen van de catalogus van dit museum, maar was ook nauw betrokken bij Museum Boymans. Zo hielp ze haar collega’s tijdens de oorlog met het inpakken van de collectie kunstnijverheid (afb. 13). Vanwege haar betrokkenheid bij Museum Boymans wordt ze daarom in dit artikel tot de wetenschappelijk assistenten gerekend, ook al was ze niet volledig in dienst van het museum, maar hoofdzakelijk bij het Museum van Oudheden.

Vlak voor haar aanstelling in het Museum van Oudheden had Crol haar examen tot wetenschappelijk archivaris afgelegd.50 In 1938 trad ze ook in dienst bij Atlas Van Stolk, waar een van de belangrijkste collecties historische prenten was ondergebracht. Ze zou daar al snel conservator worden, maar bleef tot 1945 werkzaam als assistent bij het Museum van Oudheden, waarna ze eervol ontslag kreeg. Omdat ze na het bombardement op Rotterdam belangrijke stukken keramiek en aardewerk wist te redden, werd ze in 1945 door B&W aangesteld als commissielid om ‘het college van voorlichting te dienen met betrekking tot de voortzetting van het Museum [van Oudheden]’ (afb. 14).51 Dit betekende dat Crol ontslag moest nemen, maar tegelijkertijd wel haar carrière als conservator bij Atlas Van Stolk kon voortzetten. Hoewel ze nooit officieel de titel ‘wetenschappelijk assistent’ kreeg, verrichtte ze veel werk dat bij deze titel paste, zoals het opstellen van een handleiding voor het beschrijven van prenten, tekeningen en kaarten in 1944.52

Afb. 13. Het inpakken van glaswerk in Museum Boymans. Zichtbaar zijn de medewerkers: (van links naar rechts) Van der Heijden, Hermine Crol, Tinta Drost (staand) en Bernardine de Neeve, 1939, XXXIII-537-1, Stadsarchief Rotterdam
Afb. 13. Het inpakken van glaswerk in Museum Boymans. Zichtbaar zijn de medewerkers: (van links naar rechts) Van der Heijden, Hermine Crol, Tinta Drost (staand) en Bernardine de Neeve, 1939, XXXIII-537-1, Stadsarchief Rotterdam
Afb. 14. Op de binnenplaats van Museum Boymans zijn Tinta Drost (links) en Hermine Crol (rechts) bezig met het schoonmaken van kunstvoorwerpen en oudheidkundige vondsten, 1940, XXXIII-574-00-02-2, Stadsarchief Rotterdam
Afb. 14. Op de binnenplaats van Museum Boymans zijn Tinta Drost (links) en Hermine Crol (rechts) bezig met het schoonmaken van kunstvoorwerpen en oudheidkundige vondsten, 1940, XXXIII-574-00-02-2, Stadsarchief Rotterdam

Werken als volontair was zowel voor mannen als vrouwen een belangrijke manier om werkervaring op te doen. Volontairs waren aanwezig binnen allerlei werkvelden, van de zuivelfabriek tot aan het museum. Het was voor vrouwen in de eerste helft van de twintigste eeuw daarom niet geheel ongebruikelijk om als volontair aan de slag te gaan, vooral als zij van plan waren om later carrière te maken. Voor sommige vrouwen was werken als volontair een manier om na het huwelijk de Wet handelingsonbekwaamheid te omzeilen, maar binnen de museale sector bleek vrijwilligerwerk toch het meest populair onder ongehuwde vrouwen uit welgestelde kringen. Opvallend is dat de vrouwen die als volontair in het museum werden aangesteld allemaal een opleiding hadden genoten, wat doet vermoeden dat het werk als volontair wellicht een vereiste was om als vrouw tot het museum te mogen toetreden, terwijl mannelijke collega’s direct een betaalde functie als (wetenschappelijk) assistent of conservator kregen toegewezen.

Vrouwelijke medewerkers als Bernardine de Neeve begonnen hun carrière als volontair in het eerdergenoemde Museum van Oudheden. De meesten hielden zich hoofdzakelijk bezig met het uitvoeren van taken die betaalde assistenten ook veelal uitvoerden, zoals het inventariseren en beschrijven van de museumcollectie. Het feit dat iemand als volontair werkte, betekende niet dat dit ook altijd onbetaald werk was. Meerdere bronnen wijzen erop dat veel volontairs binnen Museum Boymans een kleine vergoeding voor hun werk kregen. Zo wordt er in een brief van Tinta Drost vermeld dat medewerker Hanneke (Hanna Maria) van Stolk tussen 1937 en 1938 ‘als volontaire tegen vergoeding werkzaam was’ in het Museum van Oudheden.53 Ook ontving Gerardina van Ysselsteyn in 1933 een bedrag van 1.250 gulden als dank voor haar werk als volontair in het museum.54

Na een aantal jaren werd De Neeve een betaalde positie binnen Museum Boymans aangeboden. Ze had een opleiding gevolgd en bleef ongehuwd, wat er op kan wijzen dat dit haar aanpak was, zoals hierboven genoemd, om een opstap naar de museale wereld te maken en uiteindelijk een betaalde positie te krijgen.55 De Neeve werd uiteindelijk benoemd tot (hoofd)conservator kunstnijverheid van het museum.

Het onderzoek naar de rol van vrouwelijke medewerkers van Museum Boijmans Van Beuningen tussen 1935 en 1956 laat zien hoe deze vrouwen hun positie in een mannelijk gedomineerde omgeving vormgaven. Op zowel de rol van werkende vrouw in het museum, als op de verschillende museale afdelingen – waaronder kunstnijverheid in het bijzonder – oefenden zij een wezenlijke emancipatorische invloed uit.

Zoals Neurdenburg aan het begin van dit artikel al bepleitte, was het museum aan het begin van de twintigste eeuw een uitstekende plek voor vrouwen om carrière te maken. Het was inderdaad het wetenschappelijk werk dat vrouwen in Museum Boymans veel mogelijkheden bood. Hier catalogiseerden en ordenden zij kunstobjecten, maar leverden ook bijdragen aan verschillende publicaties van het museum. De catalogi waar De Neeve, Crol en Drost aan meewerkten, bezorgden deze vrouwen landelijke publiciteit.

Hoewel het niet ongebruikelijk was voor mannen om als volontair ergens werkzaam te zijn, waren het in dit geval enkel de vrouwen uit welgestelde Rotterdamse families die zich als volontair voor Museum Boymans inzetten. Het feit dat vrijwel al deze vrouwen, op Ihle na, uit welgestelde kringen uit Rotterdam afkomstig waren, maakte dat zij minder afhankelijk waren van het inkomen van een (toekomstige) echtgenoot en het zich daardoor konden veroorloven om ongehuwd te blijven en voor een laag uurloon of als volontair in het museum te werken. Met hun betrokkenheid als volontair, in de hoop later een betaalde functie te krijgen, effenden zij het pad voor een latere generatie vrouwelijke werknemers van het museum.

Ook al werden er ongeveer evenveel mannen als vrouwen aangenomen, toch is er een duidelijke hiërarchie te ontdekken in de posities die beiden binnen het museum bekleedden. Los van het feit dat bepaalde banen een ander takenpakket bevatten dan wat tegenwoordig van zo’n functie wordt verwacht, valt op dat titels en werkzaamheden niet altijd met elkaar overeenkwamen. Zo was Drost altijd secretaresse van de (mannelijke) directeur en was De Neeve jarenlang assistent op de kunstnijverheidsafdeling. Ook voerden wetenschappelijk medewerkers als Ihle en De Neeve veel taken uit die conservatoren ook zouden verrichten, maar bleven zij tot 1956 op papier ‘wetenschappelijk assistent’. Alleen omdat zij niet trouwden, geen kinderen kregen en daardoor vóór 1956 niet als handelingsonbekwaam konden worden bestempeld was het voor deze vrouwen mogelijk om dit werk betaald te verrichten. Mannelijke medewerkers als Van Gelder en Bastert trouwden daarentegen wel en kregen allebei kinderen. Het feit dat dit de mannelijke medewerkers niet belemmerde in het navolgen van een carrière in het museum, benadrukt de discrepantie tussen de mogelijkheden voor mannen en vrouwen op de werkvloer. Of dit voor deze vrouwen een bewuste keuze was is onduidelijk, maar een dergelijke emancipatoire motivatie is ook terug te zien in het werkzame leven van vrouwen buiten het museum.

Tinta Drost zette zich na haar carrière bij Museum Boymans nog jarenlang in als directeur van de Volksuniversiteit Rotterdam.56 Ze was ook een bekend lid van de Soroptimist International Club Rotterdam, en hoewel ze daar pas in 1961 toetrad, wat buiten het bestek van dit onderzoek valt, is het toch belangrijk om te vermelden. Haar lidmaatschap bewijst namelijk haar inspanning voor de rechten van vrouwen, aangezien de Soroptimist International Club Rotterdam werd opgericht als een vereniging voor uitsluitend vrouwen om hun stem te laten horen en op te komen voor hun eigen welzijn.

Niet alleen Tinta, ook Hermine Crol was lid. De eerste vrouwelijke assistent in het museum, Jo Zwartendijk, was zelfs betrokken bij de oprichting van deze Rotterdamse afdeling.57 Hun keuze om zich op deze manier in het museum te positioneren, in combinatie met een lidmaatschap bij deze vereniging, zou daarom kunnen worden gezien als een emancipatoire motivatie. Dat geldt ook voor vrouwen als Drost, Ihle en De Neeve. Door tegen de toenmalige maatschappelijke verwachting in niet te trouwen, konden zij bij Museum Boymans een carrière nastreven, zelfs vóor 1956.

Ook binnen het museum moet de invloed van deze vrouwelijke medewerkers niet worden onderschat. In de hier besproken periode hielden zij die werkzaam waren als wetenschappelijk assistent zich vooral met toegepaste kunst of prentkunst bezig. Pas in de jaren 1960 kwam daar verandering in, toen Renilde Hammacher (1913-2014) als conservator moderne kunst werd aangesteld. Een lopend promotieonderzoek van Machteld Verhulst verdiept zich verder in deze ontwikkelingen vanaf 1960.58 Het prentenkabinet werd van 1950 tot 1979 beheerd door Ine Ihle, terwijl De Neeve in 1956 als eerste vrouw tot hoofdconservator kunstnijverheid van het museum werd benoemd. Als assistent van Bastert leerde ze veel over het vak en speelde uiteindelijk een grotere rol bij de verwerving en curatie van museumobjecten. Zo was ze betrokken bij de organisatie van de eerste tentoonstelling over de collectie kant van De Monchy in 1949. Later had ze ook een aandeel in de verwerving van deze verzameling.59 Daarnaast verdiepte ze zich in keramiek, wat ertoe leidde dat ze in 1953 samen met Bastert een tentoonstelling over levende pottenbakkers samenstelde.60 Met haar expertise wist ze veel invloed uit te oefenen op deze afdeling. Ze ontwikkelde regelmatig tentoonstellingen voor de afdeling kunstnijverheid en was betrokken bij de publicatie van verschillende catalogi, wat ertoe leidde dat kunstnijverheid een volwaardige museale discipline werd.

Waar er aan het begin van de besproken periode nog een duidelijke hiërarchie binnen de kunstwaardering bestond, met een onderscheid tussen hogere en lagere kunsten, kwam daar geleidelijk verandering in. Met hun specifieke kennis op het terrein van de kunstnijverheid en hun algemene kunsthistorische kennis, zetten vrouwelijke museummedewerkers zich in voor een groeiende waardering voor disciplines als keramiek, glas en textiel, en leverden daarmee al vroeg een wezenlijke bijdrage aan de erkenning van kunstnijverheid als een volwaardige kunstvorm. Door hun inspanningen om hogere posities binnen het museum te verwerven, daagden zij bovendien het bestaande idee van het museum als een mannelijke ruimte uit. Dit onderzoek toont aan dat vrouwelijke museummedewerkers in deze periode niet enkel ondersteunend waren, zoals lange tijd is gedacht, maar actief bijdroegen aan de ontwikkeling van Museum Boijmans Van Beuningen als een veelzijdig museum met een karakteristieke collectie.

Speciale dank aan Bram Donders, onder wiens begeleiding ik tijdens mijn onderzoeksstage in 2024 meewerkte aan zijn onderzoek naar vrouwelijke schenkers en legatoren, waaruit dit artikel is voortgevloeid. 

Auteur
Eva van Bladel

Begeleiding en redactie
Peter van der Coelen
Sandra Kisters
Sabine Terra

Tekstredactie
Yvonne Brentjens

Beeldredactie en productie
Eva van Bladel

Fotoverantwoording
Collectie Museum Boijmans Van Beuningen: afb. 7, 8, 9, 10
Stadsarchief Rotterdam: afb. 2, 5, 13, 14
https://verhalenvanrotterdammers.nl/luisterverhalen/de-koenigscollectie-stond-bij-tante-tinta-op-haar-kamer-duur-1256/: afb. 6

Het museum heeft getracht alle rechthebbenden te achterhalen. Indien u desondanks meent over rechten te beschikken, kunt u contact opnemen met Museum Boijmans Van Beuningen.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze bestandscatalogus mag worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt, in enige vorm, of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Museum Boijmans Van Beuningen.

© 2026 Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam
De auteur en de fotografen

Museum Boijmans Van Beuningen
Postbus 2277
3000 CG Rotterdam
T +31 (0)10 4419400
info@boijmans.nl
www.boijmans.nl

Noten

1 E. Neurdenburg, ‘Feuilleton. Vrouwenstudie. VI. De gestudeerde vrouw en de kunstgeschiedenis’, Nieuwe Rotterdamsche Courant, 13 juni 1920, p. 1. In eerdere delen van dit feuilleton schreven andere vrouwen over de gestudeerde vrouw in de biologie, als docent, in het archief- en bibliotheekwezen, als apotheker en als ingenieursstudent.

2 Y. Marcus-de Groot, Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921, Hilversum 2003, p. 97.

3 Van Ysselsteyn zou later promoveren en kunsthistoricus op het gebied van textiel worden. Zie ‘Ysselsteyn, G.T. van’, Huis van de Nijmeegse Geschiedenis, geraadpleegd op 14 januari 2026, https://www.huisvandenijmeegsegeschiedenis.nl/info/Ysselsteyn,_G.T._van.

4 H. Pott-Buter, K. Tijdens, Vrouwen. Leven en werk in de twintigste eeuw, Amsterdam 1998, p. 17.

5 Lees meer over De Andere Helft op https://deanderehelft.nl/.

6 Stadsarchief Rotterdam, Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 875.

7 H. Pott-Buter, K. Tijdens, Vrouwen. Leven en werk in de twintigste eeuw, Amsterdam 1998, p. 165.

8 H. Pott-Buter, K. Tijdens, Vrouwen. Leven en werk in de twintigste eeuw, Amsterdam 1998, p. 169.

9 Y. Marcus-de Groot, Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921, Hilversum 2003, p. 95.

10 Gebaseerd op het aantal bezoekers in de vijf jaren voor de sluiting van het museum in 2019.

11 Y. Marcus-de Groot, Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921, Hilversum 2003, p. 95; P. Haverkorn van Rijsewijk, Het Museum Boijmans te Rotterdam, Den Haag/Amsterdam 1909, pp. 357-362.

12 L. Anguix-Vilches, 'Pioneering Female Museum Directors: A Transnational Comparison', Cartografías de género en la expresión artística contemporánea 1 (2024), p. 15.

13 M. Halbertsma, P. van Ulzen, ‘Op het hoekje van de Zwanensteeg: inleiding’, in: id. (red.), Interbellum Rotterdam. Kunst en cultuur 1918-1940, Rotterdam 2001, p. 12.

14 W. Krul, Hannema museumdirecteur. Over kunst en illusie, Amsterdam 2018, pp. 39-40.

15 P.J. Hoogstrate, M.P.F.G. Kuper, ‘Honderdvijftig jaar Museum Boijmans Van Beuningen’, in: J.R. ter Molen (red.), 150 jaar Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam. Een reeks beeldbepalende verzamelaars, Rotterdam 1999, pp. 22-23.

16 A.B.G.M. van Kalmthout, Muzentempels. Multidisciplinaire kunstkringen in Nederland tussen 1880 en 1914, Leiden 1997, p. 55, pp. 379-380.

17 A.J. Teychiné Stakenburg, ‘Beleid en beheer: Inleiding’, in: id. (red.), Uit de Kunst. 75 jaar Rotterdamsche Kunstkring, Rotterdam 1985, p. 15.

18 A.B.G.M. van Kalmthout, Muzentempels. Multidisciplinaire kunstkringen in Nederland tussen 1880 en 1914, Leiden 1997, p. 545.

19 Collectie Stadsarchief Rotterdam, Archief van de Rotterdamse Kunstkring, toegang 76, inv. 116.

20 Collectie Stadsarchief Rotterdam, Archief van de Rotterdamse Kunstkring, toegang 76, inv. 116.

21 P. van Ulzen, J.C. Ebbinge Wubben. Museumdirecteur met een missie, 1945-1978, Rotterdam 2016, p.  25.

22 W. Krul, Hannema museumdirecteur. Over kunst en illusie, Amsterdam 2018, p. 87.

23 C. Blotkamp, ‘Kunstgeschiedenis en de moderne kunst: een lange aanloop’, in: E.A. Hecht (red.), Kunstgeschiedenis in Nederland, Amsterdam 1998, p. 93.

24 H. Balk, De kunstpaus. H.P. Bremmer 1871-1956, Bussum 2006, p. 82.

25 H. Balk, De kunstpaus. H.P. Bremmer 1871-1956, Bussum 2006, p. 12.

26 H. Balk, De kunstpaus. H.P. Bremmer 1871-1956, Bussum 2006, p. 145.

27 H. Balk, De kunstpaus. H.P. Bremmer 1871-1956, Bussum 2006, p. 144.

28 H. Balk, De kunstpaus. H.P. Bremmer 1871-1956, Bussum 2006, p. 154.

29 A. Hoogenboom, ‘Kunstgeschiedenis aan de universiteit: Willem Vogelsang (1875-1954) en Wilhelm Martin (1876-1954)’, in: E.A. Hecht (red.), Kunstgeschiedenis in Nederland, Amsterdam 1998, p. 28.

30 C. Stolwijk, ‘J.G. van Gelder (1903-1980)’, in: E.A. Hecht (red.), Kunstgeschiedenis in Nederland, Amsterdam 1998, pp. 129-130.

31 A. Hoogenboom, ‘Kunstgeschiedenis aan de universiteit: Willem Vogelsang (1875-1954) en Wilhelm Martin (1876-1954)’, in: E.A. Hecht (red.), Kunstgeschiedenis in Nederland, Amsterdam 1998, p. 30 ; Y. Marcus-de Groot, Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921, Hilversum 2003, pp. 15-16.

32 Y. Marcus-de Groot, Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921, Hilversum 2003, pp. 51, 56, 78.

33 Y. Marcus-de Groot, Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921, Hilversum 2003, pp. 60-62.

34 J.G. van Gelder, M.E. Houtzager, B. Jansen, Willem Vogelsang, 1875 - 9 augustus - 1950: commentarii aangeboden door zijn vrienden ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag, Utrecht 1950, pp. 40-41.

35 Y. Marcus-de Groot, Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921, Hilversum 2003, pp. 97-98.

36 Stadsarchief Rotterdam, Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 186.

37 W. Krul, Hannema museumdirecteur. Over kunst en illusie, Amsterdam 2018, p. 335.

38 K. Hill, Women and Museums 1850-1914: Modernity and the Gendering of Knowledge, Manchester 2016, p. 26; L. Anguix-Vilches, ‘Pioneering Female Museum Directors: A Transnational Comparison', Cartografías de género en la expresión artística contemporánea 1 (2024), pp. 20-21.

39 R. Esner, ‘Ida Peelen: Making the Museum “Fruitful” for the Public’, The Rijksmuseum Bulletin 73 (2025) 1, p. 36.

40 M. Simon Thomas, Voortschrijdend inzicht. Een biografie van de collectie vormgeving (Boijmans Studies), Rotterdam 2022, p. 95.

41 B.R.M. de Neeve, ‘Ter nagedachtenis: Jacob Nicolaas Bastert, 1891-1976’, in: R.A.D. Renting (red.), Rotterdams Jaarboekje, Rotterdam 1977, p. 210; M. Simon Thomas, Voortschrijdend inzicht. Een biografie van de collectie vormgeving (Boijmans Studies), Rotterdam 2022, pp. 112-113.

42 M. Simon Thomas, Voortschrijdend inzicht. Een biografie van de collectie vormgeving (Boijmans Studies), Rotterdam 2022, pp. 162-164.

43 J.R. ter Molen, ‘Bernardine de Neeve 1915-1996’, in: E.A.G. van den Bent, J.C. Okkema (red.), Rotterdams Jaarboekje, Rotterdam 1997, pp. 138-139; M. Simon Thomas, Voortschrijdend inzicht. Een biografie van de collectie vormgeving (Boijmans Studies), Rotterdam 2022, p. 180.

44 J.G. van Gelder, M.E. Houtzager, B. Jansen, Willem Vogelsang, 1875 - 9 augustus - 1950: commentarii aangeboden door zijn vrienden ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag, Utrecht 1950, pp. 40-41.

45 P. van Ulzen, J.C. Ebbinge Wubben. Museumdirecteur met een missie, 1945-1978, Rotterdam 2016, p. 16.

46 Een aantal voorbeelden zijn: B.L.D. Ihle, Religieuze Volksprenten uit de Middeleeuwen, Rotterdam 1951; B.L.D Ihle, E.J. Bouten-Klinkhamer, Etsen van Piranesi 1720-1778, Rotterdam, 1953.

47 Door het ontbreken van jaarverslagen tussen 1956 en 1973 is het niet duidelijk in welk jaar Ihle conservator werd.

48 W. Krul, Hannema museumdirecteur. Over kunst en illusie, Amsterdam 2018, p. 202.

49 Stadsarchief Rotterdam, Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 330.

50 ‘Wetenschappelijk archiefambtenaar’, Nieuwe Haarlemsche Courant, 11 mei 1937, p. 2.

51 W.F. Lichtenauer, ‘Mejuffrouw W.A.H. Crol, 1913-1973’, in: R.A.D Renting (red.), Rotterdams Jaarboekje, Rotterdam 1974, p. 147.

52 W.A.H. Crol, J.C. Ebbinge Wubben, J.G. van Gelder et al., ‘Aanwijzingen voor het beschrijven van prenten, teekeningen en kaarten’, in: id. (red.), Oudheidkundig jaarboek, serie IV, dl. 12, Leiden 1944, pp. 111-127.

53 Stadsarchief Rotterdam, Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 335.

54 Stadsarchief Rotterdam, Archieven van Museum Boijmans Van Beuningen (Boymans) te Rotterdam, toegang 181, inv. 486.

55 K. Hill, Women and Museums 1850-1914: Modernity and the Gendering of Knowledge, Manchester 2016, p. 38.

56 J.W. de Boer, ‘Tinta Drost 1910-1997’, in: Rotterdams Jaarboekje, Rotterdam 1998, pp. 127-129.

57 Stadsarchief Rotterdam, Archief van de Soroptimist International Club Rotterdam, toegang 429, inv. 20 en 21.

58 M. Verhulst, ‘Modern Women. The position of female curators of modern and contemporary art in the Netherlands, 1960-1980’, OSK, geraadpleegd op 8 januari 2026, https://onderzoekschoolkunstgeschiedenis.nl/modern-women-the-position-of-female-curators-of-modern-and-contemporary-art-in-the-netherlands-1960-1980/.

59 M. Simon Thomas, Voortschrijdend inzicht. Een biografie van de collectie vormgeving (Boijmans Studies), Rotterdam 2022, p. 164.

60 M. Simon Thomas, Voortschrijdend inzicht. Een biografie van de collectie vormgeving (Boijmans Studies), Rotterdam 2022, p. 170.

Toon alle noten Toon minder noten