Previous Next Facebook Instagram Twitter Pinterest Back to top

'Competente rebellen' hebben we nodig

Op een bijeenkomst tijdens het congres Cultuur in Beeld woonde ik een interessant vraaggesprek bij met prof. dr. Peter van Lieshout. Het gesprek ging over economische ontwikkelingen en de rol die cultuur daarin kon spelen. Wat mij triggerde wat Van Lieshouts stelling dat innovatie tegenwoordig niet meer een kwestie is van een paar knappe koppen op de klassieke R&D afdelingen van bedrijven, maar van iedereen die deelneemt aan de arbeidsmarkt. En dat de vaardigheden die daarvoor nodig zijn (creatief denken, oplossend vermogen) dus meer nadruk zouden moeten krijgen in het onderwijs.

Voldoende reden voor mij om  het recente WRR rapport ‘Naar een lerende economie’ na te zoeken waaraan hij in het gesprek refereerde. Een paar boeiende quotes die ik aantrof in het hoofdstuk over onderwijs hieronder, die me specifiek relevant lijken voor Rotterdam en ook voor de relatie die het Boijmans met het onderwijs onderhoud.

p. 258: over het onderwijs als emancipatiemachine
‘Voor kinderen uit allochtone kring is onderwijs nog steeds een enorme emancipatiemachine: deze emancipatie gaat nog sneller dan de emancipatie van vrouwen enkele decennia eerder. De verschillen tussen allochtonen en autochtonen nemen snel af. Het aantal niet-westerse allochtone studenten verviervoudigde bijna tussen 1995 en 2010, van 26.000 tot 95.000. Van alle hbo-studenten is dertien procent niet-westers allochtoon, in het wetenschappelijk onderwijs is dat negen procent. De totale onderwijsdeelname van 18- tot 25-jarige jongeren van allochtone afkomst was in 2009 al even hoog als die van autochtone jongeren. Wel volgen niet-westerse allochtonen nog vaker mbo-onderwijs en zijn ze nog ondervertegenwoordigd in het hoger onderwijs, maar ook dat verschil neemt snel af.’

p. 260: over het niveau van het Nederlandse onderwijs
‘Onderzoek laat zien dat het kennisniveau van de gemiddelde Amerikaan lager is dan van de gemiddelde Nederlander. Dat we toch het beeld hebben dat het in de Verenigde Staten beter is, komt omdat goede universiteiten in de Verenigde Staten beter zijn dan Nederlandse universiteiten. Gemiddeld scoren de Verenigde Staten echter helemaal niet goed: er zijn heel veel middelmatige universiteiten.’

p. 265: over de economische rol van onderwijs
‘Onderwijs moet geen grote disciplineringsoefening zijn om mensen geschikt te maken om te werken in grote bedrijven. In een kennis- en dienstensamenleving zijn differentiatie en creativiteit veel belangrijker. Vanuit het perspectief van innovatie valt zelfs goed te verdedigen dat het primaire doel van onderwijs zou moeten liggen in het leren zien van kansen. Innovatief vermogen is in essentie immers het vermogen om te zien hoe iets beter, sneller of goedkoper kan. Het stimuleren van creativiteit is in dat opzicht een van de belangrijkste vaardigheden die een onderwijsinstelling over kan dragen. Onderwijs moet – in de woorden van Van den Boom (2013) – ‘competente rebellen’ afleveren.’

p. 271-272 over de tegenstelling tussen cognitieve vakken en ‘ algemene vaardigheden’ in het onderwijs
‘Tegenwoordig gaat de pendule in Nederland weer in de richting van aandacht voor de cognitieve kant van de opleiding en zijn er alleen kerndoelen (taal en rekenen) vastgesteld – de Inspectie kijkt bijvoorbeeld niet naar de rest. Het voorgeschreven percentage uren dat op de basisschool moet worden besteed aan taal en rekenen, is inmiddels het hoogste van Europa. (…).
Dergelijke keuzen behoeven een stevigere onderbouwing. In de economie van de toekomst gaan veranderingen steeds sneller; de rol van transacties in een handelsland als Nederland wordt alleen maar belangrijker (Den Butter 2013). Dat zou tot de conclusie leiden dat vooral ingezet moet worden op ‘leren leren’, op inventiviteit, op talenkennis, en op het vermogen goed om te gaan met een veelheid van situaties.’

p. 287 Over de nadruk op cognitieve vakken voor VMBO leerlingen
‘Leerlingen die op het (v)mbo komen, hebben op de lagere school al een carrière achter de rug waarin ze geleerd hebben dat leren niet leuk is; zij bungelden altijd achteraan en konden zich alleen via sport bewijzen ten opzichte van hun medeleerlingen. Leren moet voor deze leerlingen weer leuk worden. Het zou al beter zijn als cognitieve vakken veel meer gecombineerd zouden worden met het leren van praktische vaardigheden.’

Catrien Schreuder