Previous Next Facebook Instagram Twitter Pinterest Back to top

Boijmans zorgde voor mijn grote sprong voorwaarts

Olphaert den Otter was een ‘gewone jongen van Heyplaat’ die het in zijn hoofd had gezet kunstenaar te worden. Zijn eerste expositie in Museum Boijmans Van Beuningen maakte veel los.

‘Dalí in Boijmans blies me omver’

Hij is opgegroeid op Heyplaat en komt al sinds zijn dertiende in het Museum Boijmans Van Beuningen: kunstenaar Olphaert den Otter (61). ‘Ik ging samen met mijn oudere broer, op eigen initiatief. Hij vond er niets aan, maar voor mij was het spannend. De kunst maakte me nieuwsgierig. We waren gewone jongens, niet met kunst opgevoed.’ Toen Den Otter zestien was, kwam de beroemde surrealist Salvador Dalí naar Rotterdam om daar een retrospectief over zijn werk te openen. ‘Je kunt je nauwelijks voorstellen wat zijn komst voor een puber betekende. Ik vond niet alles goed, sommige dingen zelfs kitscherig, maar het was opwindend in die ijskoude winter. Een tentoonstelling over Goya in het Mauritshuis had me vlak daarvoor al omver geblazen, Dalí deed dat nog eens dunnetjes over.’

Vaste waarde

Den Otter was zo gegrepen door wat hij meemaakte, dat hij zelf kunstenaar wilde worden. Omdat hij afkomstig was uit een streng calvinistisch milieu, bleek dat een lange route. ‘Uiteindelijk ben ik laat naar de kunstacademie gegaan, ik was 26 jaar toen ik eraf kwam. Boijmans was een vaste waarde, ik was er vaak te vinden. Er hing kunst van wereldniveau en als bezoeker krijg je de ruimte om die rustig te bekijken.

Eenmaal als volwassen kunstenaar werd werk van Den Otter aangekocht door diverse musea. ‘Ik kende Sjarel Ex al vriendschappelijk, toen hij nog directeur van het Centraal Museum in Utrecht was. Juist omdat we elkaar al kenden, voelde ik schroom om hem uit te nodigen.’ Toen kocht Ex, inmiddels directeur van Museum Boijmans Van Beuningen, via een Haagse galerie drie werken aan. ‘Daar wist ik niets van. De expositie in het museum leverde best wat druk op, ik heb die gelukkig een beetje kunnen negeren. De serie groeide uit tot 127 werken. De tentoonstelling was in 2008 werd gekoppeld aan vroege Hollanders, dat vond Sjarel een goede match.’

Bijzonder moment

‘Die eerste expositie was enorm belangrijk voor me. De kunst die ik maakte was op dat moment niet en vogue, in die jaren opereerde ik in de schaduw. De expositie in Boijmans leverde acceptatie op, en aandacht. Ik stond zelf bij mijn tentoonstelling, dertig meter aaneengesloten werk, toen er iemand op me afstapte en zei: “Wat fantastisch! Ik kijk hier naar een oeuvre van een kunstenaar die ik helemaal niet ken en die ik geweldig vind.’ Het was Folkert de Jong, de kunstenaar die later bekend werd van zijn beelden van foam.’

Den Otter omschrijft 2008 als het jaar ‘van de grote sprong voorwaarts’. Doordat er een catalogus is gemaakt van de tentoonstelling, was het effect ook blijvend. ‘En Sjarel is me blijven volgen. Af en toe nodigde ik hem uit voor een atelierbezoek. In februari 2016 had ik het gevoel dat ik een werk had gemaakt dat hij moest zien. Hij kwam kijken en kocht het meteen aan.’ Het werk was Tondo mondo, een wereldbol met een diameter van meer dan twee meter, die van een afstand bol lijkt, maar van dichtbij plat blijkt. Het is een combinatie van de bekende wereldbol, met daarop details geschilderd door Den Otter. ‘Boijmans stuurde een persbericht uit dat het museum Tondo mondo had aangekocht en meteen was er interesse van Metro, Trouw, Het Financieele Dagblad. Dit werk doet iets met mensen, omdat het zo bekend is en tegelijk kun je de aarde nooit zo hebben gezien.’

Over de perikelen met de aankoopsubsidie voor in Rotterdam werkzame kunstenaars kan Den Otter kort zijn: ‘Ik weet niet wat de gemeente precies wil, maar het is ontzettend belangrijk voor musea om juist kunst uit de eigen stad en bekende kunstenaars samen tentoon te stellen. Het is een tijd mode geweest om internationaal allemaal dezelfde Grote Namen te tonen. Daardoor begonnen alle musea op elkaar te lijken. Dan liever een Tate Brittain, die lokale onbekende kunstenaars aan de beroemdheden koppelt. Als museum moet je een hoge standaard hebben, maar kunst uit je eigen stad hoort erbij, die mag je niet negeren.’