Previous Next Facebook Instagram Twitter Pinterest Back to top

Thomas Schütte

Oldenburg 1954


De Duitse kunstenaar Thomas Schütte is een van de meest veelzijdige hedendaagse beeldhouwers. Zijn werk laat een voorliefde voor materiaalexperimenten zien en zit vol verwijzingen naar popcultuur, historische gebeurtenissen en kunstgeschiedenis. Maar bovenal staat de ‘condition humaine’ centraal - de verwarrende tegenstrijdigheden in onszelf en in de wereld om ons heen. In nu eens hilarische, dan weer ernstige sculpturen bevraagt Schütte onze eigen, continu veranderende, fysieke en emotionele toestand.



In 1973 begint Schütte zijn studie aan de Kunstakademie Düsseldorf. Düsseldorf is in de jaren 70 een van de meest levendige hedendaagse kunstcentra in Europa: het is een broedplaats voor jonge kunstenaars en ook de thuisbasis van de toonaangevende conceptuele kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986) en schilder Gerhard Richter (1932), van wie Schütte onder meer les krijgt. Vlak na zijn afstuderen in 1981 heeft Schütte zijn eerste solotentoonstelling in de Konrad Fischer Galerie, waar ook Amerikaanse gevestigde kunstenaars als Carl Andre (1935), Sol LeWitt (1928-2007) en Bruce Nauman (1941) exposeren. In deze eerste jaren maakt Schütte minimalistische architecturale maquettes, die overigens niet in praktijk worden gebracht. Tegelijkertijd richt hij zich op figuratieve beeldhouwkunst. Aanvankelijk zonder succes, want de terugkeer naar zo’n traditionele kunstvorm is een allesbehalve vanzelfsprekende stap na decennia van abstracte en conceptuele kunst. Hoe kan figuratieve sculptuur nog actueel zijn?



Schütte bevolkt zijn architecturale bouwwerken met miniatuurfiguren en bestaande speelgoedpoppetjes, die voor een gevoel van schaal maar ook een zekere absurditeit zorgen. Die behoefte aan een menselijk element leidt ertoe dat de figuur in zijn werk geleidelijk verschuift van bijzaak naar hoofdzaak. Vanaf het eind van de jaren 80 maakt Schütte installaties met kleine, maar expressieve mensbeelden. Een sleutelwerk is de serie ‘United Enemies’ uit 1993: een reeks figuren met grimmige gezichten geboetseerd in fimo-klei, aangekleed in lappen stof en in duo’s onder een glazen stolp tentoongesteld. De betekenis van deze tot elkaar veroordeelde vijanden is niet eenduidig, maar juist een aanzet tot allerlei associaties die de kijker er zelf in kan vinden.



Door de jaren bouwt Schütte aan een repertoire van motieven, vormen en thema’s, waarnaar hij telkens terugkeert. Veel van de miniatuurseries uit de jaren 90 keren in het daaropvolgende decennium terug op monumentaal formaat, uitgevoerd in verschillende materialen. Zoals Schütte aanvankelijk miniatuurfiguren in zijn naar verhouding reusachtige architecturale installaties plaatste, speelt hij ook bij de meer dan levensgrote beelden met schaal. Dit keer is de toeschouwer het poppetje geworden. Het is die verschuiving in de kijkervaring die de kunstenaar bezighoudt. Wanneer vindt de overgang plaats van intiem naar monumentaal en wat betekenen deze ‘standbeelden’? Traditionele standbeelden hebben vaak een heldere functie: ze herdenken een gebeurtenis, bekrachtigen een ideaal, of zetten iemand op een voetstuk. In de beelden van Schütte ontbreekt dit narratief. Zo stelt ook de serie ‘Grosse Geister’ onze aannames op de proef. De serie bestaat uit zeventien reusachtige figuren in verschillende houdingen, uitgevoerd in brons, aluminium en gietijzer. Een van deze reuzen heeft jarenlang de bezoekers begroet bij de ingang van Museum Boijmans Van Beuningen: vriendelijk en monsterlijk tegelijk, indrukwekkend van lengte maar komisch in zijn houding. En ook de titel roept vragen op: is het een spookverschijning, of een eerbetoon aan de menselijke geest?

Lees verder Lees minder