Previous Next Facebook Instagram Twitter Pinterest Back to top

Charlotte van Pallandt

Arnhem 1898 - Noordwijk 1997


Als een van de weinige vrouwelijke kunstenaars in een destijds door mannen gedomineerde beeldhouwwereld neemt Van Pallandt een uitzonderlijke plaats in. Een van haar grote voorbeelden is Aristide Maillol (1861-1944). Maar anders dan zijn geïdealiseerde vrouwbeelden hebben de sculpturen van Van Pallandt juist een levendig en eigen karakter. Die gave om een beeld een persoonlijkheid mee te geven, maakt haar ook tot een geliefd portrettist.



Haar weg naar het kunstenaarschap is allesbehalve vanzelfsprekend. Geboren als Charlotte Dorothée baronesse van Pallandt groeit ze op in een aristocratisch milieu met een jeugd bestaande uit Franse gouvernantes, Engelse kostscholen en piano- en tekenlessen. Hoewel ze van jongs af aan een liefde en aanleg voor tekenen heeft, wordt haar te verstaan gegeven dat het kunstenaarschap niet past bij iemand van haar stand. Pas wanneer ze na vier ongelukkige huwelijksjaren op 25-jarige leeftijd haar man verlaat, is ze vrij om zich serieus toe te leggen op de beeldende kunst.



Haar leermeesters vindt Van Pallandt in Parijs, waar ze eerst schilderlessen volgt bij de kubistische schilder André Lhote (1885-1962). Een ontmoeting met de Frans-Russische beeldhouwer Akop Gurdjan (1881-1948) zet haar op het spoor van de beeldhouwkunst. Na een aantal jaren in Nederland te hebben geëxperimenteerd met deze kunstvorm, keert ze in 1935 terug naar Parijs. Aan de Académie Ranson volgt ze lessen bij de beeldhouwer Charles Malfray (1887-1940), die daar vijf jaar eerder als opvolger van Maillol is aangesteld op diens aanraden. Van Malfray leert ze, zoals ze zegt, ‘in de derde dimensie componeren’, oftewel om een sculptuur te benaderen als een samenspel van vlakken, volumes en de verbindingslijnen daartussen. Pas daarna komt er een model aan te pas, voor de gewenste figuratieve vorm. Van Pallandts mensbeelden hebben dan ook een opbouw die bestaat uit geometrische volumes.



Deze architectonische benadering heeft ze gemeen met Maillol. Wanneer ze hem in 1939 - Maillol is dan al tegen de tachtig - bezoekt in zijn atelier, is dat precies de boodschap die hij haar meegeeft: ‘Wanneer je een beeld maakt, vertrek je vanuit de driehoek, het vierkant of de cirkel.’ Dat advies volgt ze ook bij het monumentale standbeeld van koningin Wilhelmina, dat in 1968 wordt onthuld in Rotterdam en misschien wel haar meest bekende werk is. De vorstin in haar lange bontmantel is verworden tot een onverzettelijke, licht achterover hellende driehoek.



Tijdens de Tweede Wereldoorlog keert Van Pallandt terug naar Nederland en leert in Amsterdam het model Truus Trompert kennen, met wie ze ruim twintig jaar zal werken. Van haar bestaan talloze kleine sculptuurtjes, in spontane snel gevormde houdingen. In tegenstelling tot Van Pallandts eerdere, wat statiger figuren, zijn deze beelden levendig en karaktervol. Zelf zegt ze hierover: ‘Er is iets dartels in de Truus-beelden, iets slanks en rijzends, de beweging van wat leeft en ademt.’ Slechts enkele zijn later op groot formaat uitgewerkt, waaronder ‘Zittend naakt met appel’ in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen.



De meeste waardering oogst Van Pallandt met haar portretten. Zowel in ‘koppen’ van bevriende schrijvers en kunstenaars als van koningin Juliana weet ze het karakter van haar model te vangen. Ondanks haar late start - ze is de vijftig al gepasseerd als ze veelvuldig begint te exposeren - verwerft Van Pallandt een prominente plaats in de Nederlandse beeldhouwkunst. Tot op hoge leeftijd blijft ze aan het werk: ‘Ik had adieu gezegd tegen het mondaine leven en wist dat ik de rest van mijn tijd aan kunst zou wijden, het moest.’

Lees verder Lees minder