Louis Maeterlinck en het 'fantastische' in de kunst
Onderzoek naar de ontwikkeling van het âfantastischeâ als kunstbegrip in de negentiende en vroege twintigste eeuw
Auteur: Lotte Kremer
Dit artikel kon worden gerealiseerd dankzij het Surrealismefonds van Museum Boijmans Van Beuningen.
Gelieve dit online artikel als volgt op te nemen in een bronvermelding:
Lotte Kremer, Louis Maeterlinck en het 'fantastische' in de kunst, Rotterdam (Museum Boijmans Van Beuningen) 2026, geraadpleegd [datum van raadpleging], <https://www.boijmans.nl/collectie/onderzoek/Louis-Maeterlinck-en-het-fantastische-in-de-kunst>
Ga direct naar
Inleiding
‘Fantastische kunst’ roept visioenen op van chimaera’s, tovenaars en hallucinante vormen en kleuren, en bepaalde kunstenaars en hun onderwerpen worden er regelmatig mee geassocieerd, van Jheronimus Bosch en zijn duivels tot Salvador Dalí en zijn droomlandschappen. Dit hedendaagse beeld van ‘fantastische kunst’ bestaat vooral dankzij de tentoonstelling Fantastic Art, Dada, Surrealism, die in 1936-1937 in het Museum of Modern Art (MoMA) in New York werd gehouden en door toenmalig directeur Alfred H. Barr Jr. werd samengesteld. Hij bracht de surrealisten in verband met kunstenaars uit de vijftiende tot en met de negentiende eeuw.1
Barr was echter niet de eerste die zich verdiepte in het ‘fantastische’ in de kunst. Recent onderzoek heeft aangetoond dat hij werd beïnvloed door eerdere schrijvers en onderzoekers.2 De Belgische kunstenaar, kunsthistoricus en conservator van het Museum voor Schone Kunsten in Gent Louis Maeterlinck (1846-1926) bijvoorbeeld schreef twee boeken die het ‘fantastische’ als een apart kunstgenre behandelen: Le genre satirique dans la peinture flamande (1903, herziene versie 1907) en Le genre satirique, fantastique et licencieux dans la sculpture flamande et wallonne : les miséricordes de stalles (art et folklore) (1910). Hij situeerde dit fantastische genre voornamelijk in de zestiende-eeuwse schilderkunst van Bosch en Pieter Bruegel de Oude, maar plaatste het ook binnen een bredere traditie die van de oudheid tot zijn eigen tijd reikte.
Maeterlinck speelde daarmee een centrale rol in de ontwikkeling van het begrip ‘fantastisch’ in de kunst. Hoewel de term al eeuwenlang in de kunstbeschrijving circuleerde, maakte het gebruik ervan in relatief korte tijd een verandering door. Tussen circa 1830 en 1935 evolueerde het begrip van een sporadisch gehanteerde term, verbonden met het karikaturale, groteske en duivelse, tot de aanduiding van een op zichzelf staand genre en een traditie die de hele kunstgeschiedenis overbrugt. Onderzoek hiernaar biedt inzicht in hoe en waarom bepaalde kunstenaars en kunstvormen tot de ‘fantastische’ traditie zijn gerekend. Over de ontwikkeling zelf en de invloed van Maeterlincks publicaties is echter nog weinig geschreven. Dit artikel beoogt deze lacune te vullen. Maeterlincks conceptualisering van het fantastische genre wordt gerelateerd aan het achterliggende discours en de kunsthistorische ontwikkelingen, evenals de vertaling ervan naar een moderne kunstkritiek waarin fantastische kunst uiteindelijk als een tijd- en plaats-overbruggende traditie uiteen wordt gezet.
De kunstterm
In dit artikel wordt het gebruik van de term ‘fantastisch’ in verschillende periodes en talen besproken, maar voordat hierop wordt ingegaan, is het nuttig om het begrip zelf kort te definiëren. In de negentiende en vroege twintigste eeuw, evenals tegenwoordig, verwijst het begrip naar dat wat uit de verbeelding voortkomt en niet op de werkelijkheid is gegrond, of naar iemand die geneigd is diens fantasie vrij spel te laten, dan wel een sterke verbeeldingskracht heeft.3
Al in de zestiende eeuw beschreef de Italiaanse schilder, architect en kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari kunst als ‘fantastisch’ in zijn invloedrijke Vite. In zijn bespreking van de door Hieronymus Cock gepubliceerde prenten naar ontwerp van Bruegel, die hij foutief toeschreef aan Bosch, sprak Vasari over ‘fantastische en lachwekkende’ demonen en ‘fantastische en grillige’ uitvindingen.4 Ook de Haarlemse kunstenaar en kunstgeschiedschrijver Karel van Mander gebruikte in zijn Schilder-Boeck (1604) hier en daar termen als ‘fantasijen’ en ‘fantastijck’ om creatieve verzinsels en eigenzinnige verbeelding in de Italiaanse renaissancekunst te beschrijven.5 Voor Bosch en Bruegel hanteerde hij andere aanduidingen, zoals ‘wonderlijcke versieringhen’, ‘vreemde tronien’ of ‘spoockerijen en drollen’.6 Deze verschillende formuleringen passen binnen een gangbaar begrippenapparaat uit de tijd waarin Bosch en Bruegel om hun fantastische, grillige, lachwekkende of vindingrijke aspecten werden geprezen.7
Later werd vaker een moraliserende betekenis achter dezelfde drôlerieën en monsters gezocht. Toch hield dit netwerk van concepten en begrippen aan. Zo komen in de voor dit artikel geraadpleegde negentiende- en vroegtwintigste-eeuwse bronnen bovengenoemde en andere overlappende termen als bizar (bizarre), ‘angstaanjagend’ (effrayant), ‘komisch’ (burlesque) en grotesk (grotesque) regelmatig terug. Aan duivels, demonen en andere monsters in kunst die als ‘fantastisch’, oftewel als diablerie, wordt beschouwd, worden zowel deze angstwekkende als humoristische karakteristieken verbonden.
De specifieke term ‘fantastisch’ lijkt in de kunst van de zeventiende en achttiende eeuw niet vaak te zijn ingezet, maar dit veranderde in de loop van de negentiende eeuw. Zo introduceerde de Belgische kunsthistoricus Henri Hymans in zijn Franstalige editie van het Schilder-Boeck (1855) ‘fantastisch’ en ‘fantasie’ in de biografieën van Bosch en Bruegel. In Hymans’ vertaling wordt het ‘hoofd’ van Bosch de ‘fantasie’ en worden een ‘vreemde roots’ en ‘aerdige Clippen’ beide ‘fantastische’ rotsen. Ook sprak hij in zijn toegevoegde commentaar over Bosch van ‘de buitengewone fantasie’ van ‘een van de meest persoonlijke schilders van de Nederlandse school’.8
Satirische, fantastische en losbandige genres
De hierboven besproken termen komen ook in Maeterlincks boeken Peinture (1903/1907) en Sculpture (1910) veelvuldig voor. Hoewel ‘fantastisch’ nog niet in de titel van Peinture verschijnt, behandelde hij het ‘fantastische genre’ wel al als zelfstandig genre, gelijkwaardig aan het ‘satirische genre’.9 In Sculpture staat ‘fantastisch’ expliciet in de boektitel als genre, op gelijke voet met ‘satirisch’ en ‘losbandig’.10
Bij het definiëren van deze kunstbegrippen gebruikte Maeterlinck ‘onderwerp’ en ‘genre’ soms als inwisselbare termen. Ook de klassieke genres van de (schilder)kunst werden op thema ingedeeld: historiestukken, portretten, genrestukken, landschappen en stillevens. Deze genres waren tegen het begin van de zeventiende eeuw grotendeels gevestigd, inclusief hun hiërarchie, met historiestukken als het meest belangwekkend. Tegen de tijd dat Maeterlinck het ‘fantastische’ genre introduceerde, werden deze hiërarchie van genres en de strikte scheidslijnen ertussen breed bevraagd.11 Dit zal ruimte hebben geboden aan Maeterlinck om zelf genres te definiëren. Daarbij poogde hij niet zozeer een nieuwe categorie naast de bestaande genres te formuleren, het ging hem eerder om de menselijke behoefte aan het ‘satirische’ of ‘fantastische’ die in specifieke onderwerpkeuzes tot uitdrukking kwam. Volgens Maeterlinck was die menselijke liefde voor satire een universeel kenmerk: de behoefte om het dagelijkse leven op humoristische of overdreven manier verbeeld te zien was volgens hem al aanwezig in de oudheid en in de volkscultuur. Tegelijkertijd beschouwde hij specifiek de ‘satirische’ en ‘fantastische’ genres in de schilder- en beeldhouwkunst als typisch Vlaams. Beide genres gingen volgens hem vaak samen.12
De onderwerpen die Maeterlinck onder het ‘fantastische’ schaarde, vertonen sterke samenhang. In de eerste plaats richtte hij zich op voorstellingen die zich lenen voor de diablerie: hoofdzakelijk religieuze iconografie zoals het laatste oordeel (afb. 1) of de verzoeking van de heilige Antonius (afb. 2) , maar daarnaast ook taferelen met tovenaars, heksen en bijbehorende monsters (afb. 3). Ook niet-duivelse figuren konden fantastisch zijn. Zo waren er de draken en andere fantasiewezens uit mythologie en folklore, en figuren die door verschillende maten van abstractie en vervorming ‘fantastisch’ waren (afb. 4). Maar bovenal waren het de hybride wezens die uit onderdelen van verschillende planten, dieren, mensen, fantasiewezens of objecten bestonden (afb. 5). Het waren deze inventieve combinaties die Maeterlinck ook weer in de fysionomie van allerlei duivels als ‘fantastisch’ bestempelde.
Waarom Maeterlinck voor ‘fantastisch’ koos en niet voor bijvoorbeeld ‘grotesk’, is niet met zekerheid te zeggen. Deels valt dit te verklaren doordat ‘fantastisch’ de humoristische connotatie van drôle kan hebben, verwijzend naar drôlerieën die al door Van Mander met Bruegel in verband werden gebracht.13 Dit past bij Maeterlincks idee van het fantastische genre als zustergenre van het satirische. Dat hij Hymans’ Franse vertaling van het Schilder-Boeck gebruikte, versterkt deze koppeling van ‘fantastisch’ aan Bosch en Bruegel.14 Daarnaast kwam er in de negentiende eeuw via literatuur en muziek een gebruik van ‘fantastisch’ op dat gelieerd was aan de romantische waardering voor expressie en het doorbreken van regels en conventies. Zoals verderop zal worden besproken, paste dit bij Maeterlincks denkbeelden over de Belgische fantastische kunst. Een laatste verklaring kan liggen in de meervoudige betekenis van ‘grotesk’.15 Aan de ene kant kan dit duiden op de diablerie en op de ornamentele ‘arabesk’, door Maeterlinck en voorgangers allebei met ‘fantastisch’ geassocieerd.16 Aan de andere kant werd het ‘groteske’ ook regelmatig gebruikt voor oneerbiedige grollen en vulgaire lichaamsfuncties, oftewel voor ‘carnavalesk’, wat voor Maeterlinck eerder met volksvermaak en ‘losbandige’, schunnige scènes samenhing (afb. 6).17 Hoewel het ‘groteske’ een grote rol speelde in de karikatuurgeschiedenis waar Maeterlinck uit putte, zullen deze verschillende verklaringen er mogelijk voor hebben gezorgd dat hij uiteindelijk voor het ‘fantastische genre’ koos.
Het genre
Maeterlincks onderzoek
Als kunsthistoricus richtte Maeterlinck zich hoofdzakelijk op de vroege Nederlandse schilderkunst van de vijftiende en zestiende eeuw. Ook de sculptuur en volkskunst van deze periode hadden zijn aandacht.18 Peinture en Sculpture vloeiden uit deze interessegebieden voort. Beide boeken behandelen de ‘Belgische’ satirische kunst, met name die uit de vijftiende en zestiende eeuw.19 In de eerste publicatie bespreekt Maeterlinck de schilderkunst van de school van Bosch en Bruegel. Zijn tweede boek behandelt de beeldhouwkunst, hoofdzakelijk houten misericordes: gebeeldhouwde steuntjes aan de onderkant van koorbanken waarop monniken tijdens de dienst konden leunen. Deze ‘zitterkens’ hebben vaak satirische, fantastische en profane onderwerpen (afb. 5). In beide publicaties besteedde Maeterlinck veel aandacht aan hun cultuurhistorische context, zoals religieuze feesten, spreekwoorden en andere vormen van volkscultuur.
Voor zijn werk gebruikte Maeterlinck verschillende kunsthistorische, historische en oudheidkundige bronnen. Voor de ontwikkeling van het ‘fantastische’ putte hij voornamelijk uit de karikatuurgeschiedenis, een onderzoeksgebied dat in de loop van de negentiende eeuw steeds belangrijker werd en waarin de karikatuur en het groteske door verschillende onderzoekers en theoretici met elkaar werden verbonden.20 De term ‘grotesk’ was al vaker gelijkgesteld aan de figuren van diablerie en het carnavaleske, en werd besproken in het kader van komedie en satire.21 Maeterlinck zal er voor zijn connectie tussen het ‘fantastische genre’ en de diablerie door beïnvloed zijn.
De twee karikatuurhistorici die het meest door Maeterlinck werden aangehaald, zijn Thomas Wright en Champfleury (pseudoniem van Jules-François-Felix Fleury-Husson). De Engelse historicus en oudheidkundige Wright was een belangrijk figuur binnen het Britse historische en archeologische onderzoeksveld.22 In 1865 bracht hij zijn overzichtswerk History of Caricature and Grotesque in Literature and Art uit.23 De Franse schrijver en kunstcriticus Champfleury was een prominent verdediger van het Franse realisme.24 Tussen 1865 en 1880 schreef hij een serie boeken over de karikatuurgeschiedenis: Histoire de la caricature antique (1865), Histoire de la caricature moderne (1865), Histoire de la caricature au moyen-âge et sous la renaissance (1870), Histoire de la caricature sous la république, l’empire et la restauration (1874) en Histoire de la caricature sous la réforme et la ligue – Louis XIII à Louis XVI (1880).25 In dezelfde kringen als Champfleury opereerde de invloedrijke dichter en kunstcriticus Charles Baudelaire. Hoewel Maeterlinck hem niet direct als bron van informatie lijkt te hebben gebruikt, las hij wel zijn Curiosités esthétiques (1868) met daarin essays over het komische in de beeldende kunst en verschillende karikaturisten. Baudelaire prees hij zelfs als grondlegger van de cultuurhistorische benadering binnen de karikatuurgeschiedenis.26
Kijkend naar hun benadering van het ‘fantastische’, is er opvallend weinig verschil in gekozen kunstenaars en onderwerpen bij Maeterlinck enerzijds en Champfleury en Wright anderzijds.27 Maeterlinck besprak logischerwijs meer ‘Belgische’ kunst, maar die nadruk op de Vlaamse zestiende-eeuwse school en de bijbehorende diablerie was ondanks een internationale insteek ook al bij de karikatuurhistorici aanwezig. Dat ook Champfleury en Wright vanuit nationalistische perspectieven dachten, blijkt vooral uit het slotstuk van hun chronologieën. Voor Wright waren de meest exemplarische (semi-)moderne karikaturisten Brits: George Cruikshank, James Gillray, William Hogarth en Thomas Rowlandson.28 Voor Champfleury was dat bij uitstek de Franse Honoré Daumier (afb. 7).29
Vorming van een genre
Maeterlinck zocht de oorsprong van de satirische kunst al bij de oude Grieken, Romeinen en Egyptenaren, zoals ook Champfleury en Wright dat vóór hem al deden.30 Hoewel het ‘fantastische’ zelf volgens Maeterlinck in deze culturen nog niet voorkwam, herkende hij in de ‘bizarre en angstaanjagende maskers’ en ‘monsters’ van de oudheid wel al voorouders van de fantastische waterspuwers op Vlaamse kathedralen.31 Ook in de sieraden van de Franken en Kelten zag hij al een verwante liefde voor het bizarre, fantastische en satirische (afb. 4).32
Het ‘fantastische’ in de Vlaamse kunst verschijnt bij Maeterlinck voor het eerst in de overgang naar de middeleeuwen, in het bijzonder in boekverluchting en misericordes. Vervolgens verkende hij de Vlaamse en Duitse voorgangers van het fantastische genre. Hij zag daarbij de uit de Elzas afkomstige Martin Schongauer als grondlegger van het ‘genre’ van de verzoekingen van de heilige Antonius (afb. 8).33 Ook bijvoorbeeld de wandtapijtenreeks Apocalyps van Angers (ca. 1373-1380, Kasteel van Angers) ontworpen door Jean de Bondol leende zich goed voor vindingrijke martelingen en veelkoppige monsters.34
Het fantastische genre, zoals gedefinieerd door Maeterlinck, omvatte Bosch en Bruegel en hun navolgers.35 En zoals eerder gezegd ging het daarbij voornamelijk om hun diablerie. Met dit zwaartepunt in tijd, geografie en thematiek sloot hij aan op Champfleury. Ook deze gebruikte ‘fantastisch’ hoofdzakelijk in de bespreking van fantastische figuren in manuscriptillustraties en kerkdecoraties, en in de kunst van Bosch en Bruegel.36
Bosch gaf volgens Maeterlinck een impuls aan de Vlaamse satirische en fantastische kunst van de zestiende eeuw. Daarbij karakteriseerde hij diens fantastische onderwerpen als duivelse taferelen (diablerie), dromen of nachtmerries.37 Typisch zijn de inventieve wezens in Het laatste oordeel (ca. 1520-1525, afb. 1), een triptiek die door Maeterlinck aan Bosch werd toegeschreven, maar nu als een door Lucas Cranach de Oude vervaardigde kopie van Bosch’ Het laatste oordeel (ca. 1490-1505, Akademie der bildenden Künste, Wenen) geldt.38 Het oog raakt hier niet uitgekeken: een rondborstig beest danst vrolijk op de muziek van zijn eigen neustrompet terwijl aan de andere kant een uitgedoste duivel met een vuurkorf als middenrif in zijn tent zit.
Maeterlinck beschouwde Bruegel als de grote vertegenwoordiger van zowel het satirische als het fantastische genre, en ook door karikatuurgeschiedschrijvers in de negentiende eeuw werd deze al neergezet als een belangrijke vertegenwoordiger van de karikatuur en diablerie.39 Bruegels prent De heilige Jacobus bezoekt de tovenaar Hermogenes (1565, afb. 9) zit vol bizarre en groteske monsters die de tovenaar belagen, zoals een paardenhoofd met mensenbenen en een gewortelde voet. Maeterlinck zag hierin een satire op tovenaars en demonen, en benadrukte dat de angst hiervoor in Bruegels tijd oprecht was. Mogelijk is deze combinatie van satire en het ‘fantastische’ in één werk de reden waarom Maeterlinck de prent als een van Bruegels meest interessante duivelse en fantastische composities beschouwde.40 De ongebreidelde fantasie wordt daarmee gelegitimeerd.
Een teloorgang van het fantastische?
Volgens Maeterlinck verdween het fantastische genre langzaam maar zeker vanaf de zeventiende eeuw, zowel in de schilderkunst als in het beeldhouwwerk van kerkbanken.41 Wel liet Jacques Callot in Frankrijk zich volgens hem nog inspireren door de Vlaamse meesters (afb. 10) en rekende hij ook werken van David Teniers II en David Rijckaert III tot de latere diablerie.42 In de vele verzoekingen van de heilige Antonius geschilderd door Teniers (zoals die van ca. 1650, afb. 11) miste hij echter de ‘verschrikkelijke nachtmerries’ van Bosch en de ‘satirische en moraliserende duivelarijen’ van Bruegel. Deze waren ingeruild voor ‘luchtige tovenarij’ en ‘amusante drôlerieën’.43 Maeterlincks negatieve houding, gebaseerd op de aanname dat deze taferelen puur voor vermaak waren en geen diepere filosofische laag bevatten, kan verklaren waarom een kunstenaar als Teniers nauwelijks in besprekingen van het ‘fantastische’ in de kunst voorkomt.
Met dit idee van een einde aan het fantastische genre huldigde Maeterlinck dezelfde opvatting als Champfleury en Wright. In hun publicaties verdwijnt de term ‘fantastisch’ bijna geheel na de zeventiende eeuw. De latere satire en karikatuur van politiek en maatschappij werden ogenschijnlijk te realistisch, met slechts karikaturale overdrijvingen van het uiterlijk. De afbeeldingen waar wel fantastische elementen in voorkwamen, werden door Wright en Champfleury niet als zodanig benoemd. Dat komt waarschijnlijk doordat het in hun ogen te directe visuele metaforen waren, in plaats van puur fantasierijke vindingen, zoals bijvoorbeeld de anonieme spotprent Un monstre a trois têtes (1789, afb. 12).44 De uitgemergelde viervoeter met leerachtige vleugels, hangende borsten en vier soorten hoofden zou in de helse scènes van het fantastische genre echter niet misstaan hebben.
Aan het slot van Peinture reflecteerde Maeterlinck op dat wat er nog over was van de fantastische en satirische genres in het negentiende- en vroegtwintigste-eeuwse België. Hij koppelde de eigentijdse Vlaamse kunst die sociale kwesties aankaartte aan het satirische genre van Bruegel, maar noemde geen specifieke namen.45 In een later artikel deed hij dit wel: Eugène Laermans en Jules De Bruycker.46 Opvallend genoeg zag Maeterlinck het fantastische genre dus niet opnieuw in de eigentijdse kunst terug. Wel werkte het ‘fantastische’ volgens hem impliciet door in bijvoorbeeld Félicien Rops (afb. 13), die hij tot het ‘duivelse’ (diabolique) genre van Bosch en Callot rekende.47
Toch werd de term ‘fantastisch’ in de Belgische kunstkritiek al vaker voor verschillende soorten contemporaine kunst gebruikt. Tijdschriften als Durendal, L’Art Moderne en Onze Kunst bespraken meerdere kunstenaars die met hun monsters, skeletten of raadselachtige sfeer bij de diablerie, het grotesk-komische en het symbolisme pasten, onder wie Arnold Böcklin, James Ensor en Franz von Stuck.48 Ook de nachtmerries van Rops kwamen voorbij.49 Het gebruik van ‘fantastisch’ voor zowel contemporaine als oude kunst hield in de volgende decennia bovendien aan. Daarbij kwamen overlappende maar verschillende visies op het ‘fantastische’ in de kunst naar voren. In de volgende hoofdstukken wordt verkend welk gedachtegoed en welke retoriek hierachter liggen en hoe deze op een gegeven moment in de (re)constructie van een langere traditie in de beeldende kunst samenkwamen.
De context
Romantische herwaardering van grillen en fantasieĂŤn
Een kunstenaar die in Maeterlincks publicaties ontbreekt, is de Spanjaard Francisco Goya. Champfleury besprak hem wel kort en prees de ‘grafische fantasie’ van diens prentenreeks Los Caprichos (1797-1799).50 Deze omissie valt deels te verklaren door Maeterlincks Vlaamse invalshoek, waarin wel een Fransman als Callot paste, aangezien Maeterlinck bij hem invloeden van de Vlaamse fantasten zag. Toch is Goya’s afwezigheid opvallend, gezien zijn voortzetting van de diablerie. Daar komt nog bij dat de door Maeterlinck bewonderde Baudelaire Goya juist expliciet met het ‘fantastische’ verbond. Deze stelde dat Goya het ‘fantastische’ in het ‘komische’ introduceerde en dat de ‘fantastische sfeer’ van Los Caprichos ook op de moderne toeschouwer zonder historische kennis een psychologisch effect had.51 Die nadruk op het tijdloze effect van het komische, groteske en fantastische in de kunst keerde later terug in het idee van het fantastische als universele kunstvorm.52
Dergelijke ideeën sluiten aan bij bredere negentiende-eeuwse opvattingen over de werking van kunst en artistiek genie. Zo beschouwde Champfleury bijvoorbeeld de poëtische werking van een kunstwerk als een aanduiding van genialiteit, zoals hij die zag in de kleuren en beweging van Eugène Delacroix.53 Uit zijn opvatting sprak een voorkeur voor het ambigue van het ‘fantastische’ boven het letterlijk weergeven van natuur of literatuur. Kunst moest poëtisch zijn, zonder verdere uitleg nodig te hebben. Dit vermogen beschouwde Champfleury gedeeltelijk als een aangeboren talent.54 De geniale kunstenaar werd zodoende op basis van diens verbeelding en inventiviteit aan een ‘fantastische’ kunstenaar gelinkt.
Een bekende prent in de reeks Los Caprichos is De slaap van de rede brengt monsters voort (afb. 14). Volgens het bijschrift van de ontwerptekening was het de bedoeling van de dromende auteur om schadelijke vulgariteiten uit te bannen en met dit werk van grillen (caprichos) de waarheid te bestendigen.55 Een vergelijkbare retoriek is te vinden in een advertentie van de prentenreeks in de krant Diario de Madrid. Deze prees het type kunstenaar dat zich losmaakte van de natuur en die beelden toonde die voorheen alleen in de duisternis en wanorde van de menselijke geest hadden bestaan. Een goed kunstenaar was een uitvinder en geen kopiist.56 Grillen en fantasiefiguren stonden zodoende in dienst van de waarheid, in tegenstelling tot naturalisme of idealisme. Deze opinie, die kenmerkend zou worden voor de romantische kunsttheorie, werd door de eeuwen heen niet altijd door iedereen gedeeld.
Termen als capricci, bizzarrie en grilli hadden in zestiende-eeuws Italië een positieve connotatie gekregen. Zo gebruikte Vasari capriccio om artistieke inventiviteit en fantasie uit te drukken en verbonden zeventiende-eeuwse auteurs levendigheid, inventie en ‘grillige fantasieën’ (fantaisies capricieuses) met het idee van het artistieke genie.57 Toch bleef de verhouding tussen verbeelding en rede onderwerp van debat.58 Ook Van Mander benadrukte dat een overvloed aan allerlei ‘fantasije’ op harmonieuze wijze moest worden ingezet om de voorstelling te dienen.59
Volgens deze opvatting mocht de verbeelding vrij zijn zolang deze in dienst stond van een serieus onderwerp. Zo zag de achttiende-eeuwse kunstverzamelaar en connaisseur Pierre-Jean Mariette het fantastische en komische karakter van Callots Verzoeking van de heilige Antonius (1635, afb. 10) als noodzakelijk. Demonen die nu misschien grappig aandoen, zoals de bebrilde hondachtige die op de voorgrond een levend kanon berijdt, moesten Antonius oprecht angst inboezemen.60 Andere achttiende-eeuwse theoretici waren hier aanzienlijk strenger over. De liefde voor het bizarre, grillige en arbitraire, voor drôlerieën of caprices die volledig uit de verbeelding stammen, stond voor hen het essentiële en daarmee de schoonheid in de weg.61
Vanaf het einde van de achttiende eeuw vond er een herwaardering van de ongebreidelde fantasie, het lelijke en het groteske plaats. De academische visie van kunst als imitatie en idealisering van de natuur werd verworpen.62 Dit hing samen met de opkomst van de romantiek, waarin het doorbreken van de klassieke canon en het loslaten van oude regels en conventies belangrijk werden. De Franse romantische kunsttheoretici karakteriseerden de pre-academische zestiende eeuw – de tijd van Bosch en Bruegel – als een moment van geestdrift, vrije expressie en het loslaten van regels.63
Irrationele kunst
De oorsprong van zulke fantasieën bleef voor kunstcritici raadselachtig en een bron van blijvende spanning tussen het rationele en het irrationele. In de negentiende eeuw werd het beeld van de irrationele, soms zelfs waanzinnige kunstenaar alom verbonden met het creatieve genie, wat nog werd versterkt door de performatieve zelfpromotie van kunstenaars.64 In de kunstgeschiedenis leidde dit tot uiteenlopende interpretaties van bijvoorbeeld de geestelijke oorsprong van Bosch’ fantasieën. Kunsthistorici als Max Rooses schreven over een ongebreidelde fantasie die Bosch overnam: ‘schepselen der wildste en buitensporigste verbeelding, die doen denken, dat hun maker, in vollen lichten dag, onverpoosd door de nachtmerrie bereden werd’.65
Daartegenover benadrukte Maeterlinck juist dat Bosch’ visioenen niet spontaan uit de verbeelding of een medische waanzin opdoemen, maar diens historische realiteit reflecteren; de onrustige zestiende-eeuwse wereld vol dood en gevaar vond haar weergave in demonen en monsters.66 Zodoende verkoos Maeterlinck een cultuurhistorische verklaring boven een psychologische. Dit belette hem niet om de artistieke kwaliteiten en inventiviteit van de grote meesters te bewonderen, zoals het creatieve en observerende genie van Bosch.67 Ook Maeterlinck liet zich verleiden door beeldspraak wanneer hij over de ‘bizarre helse visioenen gecreëerd door de waanzinnige verbeelding’ van Bosch en Bruegel schreef.68
Deze interpretaties hangen samen met bredere negentiende-eeuwse ideeën. De uiting van irrationele kunst kende haar hoogtepunt bij de surrealisten, maar ook deze had haar kiem in de romantische liefde voor fantasie en emotie. Die interesse in een irrationele kunst vergrootte ook de belangstelling voor alles wat als grotesk, naïef en ‘primitief’ werd beschouwd. Het ‘primitieve’ werd neergezet tegenover de moderne industrialisatie en academische conventies. Kunst uit verre regionen als Azië of Afrika werd als ‘primitief’ gezien, maar ook de gotiek en lokale volkskunst konden ertoe behoren.69 Negentiende-eeuwse karikatuurhistorici opereerden vanuit eenzelfde primitivistisch gedachtegoed en droegen daarmee bij aan de herwaardering van populaire kunst en volkscultuur buiten de canon.70
Niet alleen in de context van middeleeuwse kunst gebruikte Maeterlinck de term ‘primitief’, ook bijvoorbeeld in zijn visuele vergelijking tussen de groteske mens-dierfiguren van Indiase en Vlaamse kunst.71 De fascinatie voor Bosch’ overvolle nachtmerries sloot hierop aan en berustte gedeeltelijk op de opvatting dat diens werk nog gotisch van aard was.72 De oorsprong van de gotiek werd door de noordelijke (Germaans-Vlaamse) regio's geannexeerd als afzetting tegen het klassieke, rigide Frans-Italiaanse zuiden. Daarbij bewoog ‘gotisch’ zich in een begrippenapparaat dat meer op ornament dan op onderwerp was gericht, maar eveneens van een achterliggende irrationaliteit, ongebreidelde verbeelding en ondoorgrondelijke symboliek, zoals ‘burlesk’, ‘hiëroglifisch’, ‘arabesk’ en ‘naïef’, uitging.73 Het legde de basis voor modernistische kunstenaars en critici om irrationele kunst in te bedden in een traditie van zowel ‘hoge’ als ‘lage’ kunst en niet-westerse culturen.
Fantastische literatuur en muziek
Vanwege deze waardering voor experiment en verbeelding boven strakke kunstregels speelde het ‘fantastische’ een belangrijke rol in de romantiek, zoals recentelijk door muziek- en literatuurhistorici is beargumenteerd.74 Toen de fantastische spookverhalen van de Duitse schrijver E.T.A. Hoffmann vanaf 1828 in het Frans verschenen, werd hij al snel een van de meest gelezen en besproken figuren in Parijse literaire kringen. Zijn contes fantastiques ontketenden een rage voor alles wat ‘fantastisch’ was.75 Ook de Franse componist Hector Berlioz werd vanwege zijn muziek vol horror-thema’s en vervreemdende melodieën door tijdgenoten sterk verbonden aan het ‘fantastische genre’ dat halverwege de eeuw breed werd erkend als een op zichzelf staande muzikale en literaire vorm.76
In de negentiende eeuw bleef het fantastische genre nog vooral aan literatuur en muziek verbonden.77 Maar welbeschouwd was dit romantische ‘fantastische’ een interdisciplinair fenomeen, waarbij kunst, literatuur en muziek retorisch aan elkaar werden gelieerd. Schrijvers zagen in de groteske beeldende kunst, waarin conventionele schoonheid en rationaliteit expres werden verstoord, een inspiratie voor de fantastische literatuur.78 Zo herkende Hoffmann deze verstoring van kunstregels in het werk van Callot. Hij prees diens ‘vreemde, fantastische prenten’ als reflecties van ‘alle fantastische, wonderlijke verschijnselen die de magie van zijn overactieve verbeelding teweegbracht’.79 In hetzelfde kader werden de fantastische monstruositeiten van Berlioz, Callot, Goya en Hoffmann met elkaar vergeleken. Het ging erom dat de regels van hun respectievelijke kunstvorm werden overtroffen. In plaats van harmonie was er dissonantie, of dat nu met onnavolgbare muziekcomposities of een karikaturale vormtaal gebeurde.80 Deze retorische verbanden tussen enerzijds fantastische literatuur en anderzijds een beeldende kunst die voor een groot deel nog in termen als grotesk, karikatuur, drôle of caprice werd uitgedrukt, maakten voor Maeterlinck mogelijk de weg vrij om de Vlaamse zestiende-eeuwse kunst als een fantastisch genre te definiëren.
Belgische toe-eigening
Dezelfde romantische retoriek werd in de Belgische kunstkritiek ingezet om haar eigen artistieke identiteit te formuleren. Het pas in 1830 gevormde België was op zoek naar een nationale identiteit, waarvoor onder meer werd geput uit de historische kunst en cultuur. Daarbij werden regiobepalende termen als ‘Vlaams’ of ‘Belgisch’ soms inwisselbaar gebruikt. Zodoende werd de Noordbrabantse kunstenaar Bosch in 1902 in de invloedrijke Brugse tentoonstelling Les Primitifs flamands onder de Vlaamse Primitieven geschaard, met de verantwoording dat de Nederlanden vroeger bij elkaar hoorden.81 Ook Maeterlinck beschouwde Bosch zonder meer als Vlaams.82 Hoewel hij niet betrokken was bij de samenstelling van de tentoonstelling was er wel een werk van Bosch uit zijn persoonlijke collectie te zien.83
Het idee van een Belgisch-Vlaamse identiteit die al in vroeger tijden te vinden zou zijn, werd door Belgische kunstcritici ingebed in het bredere kunsthistorisch debat rondom noord versus zuid, oftewel Frans-Latijns versus Germaans(-Vlaams), vorm versus inhoud, en abstract-formalisme versus expressionisme. Het fantastische viel daarbij aan de noordelijke kant van spontaniteit, romantiek en expressie.84 In analoge termen zette Maeterlinck de Belgische kunst en volksaard tegenover de rigide en plechtige kunst van het zuiden. Hij beschouwde de satirische en fantastische genres als dusdanig dominant in België dat deze een tegengewicht konden bieden aan de invloed van Italiaanse kunst.85 Het moment waarop de Italiaanse stijl met haar zuivere en weloverwogen formules de overhand kreeg, zag hij als een verlies van Vlaamse originaliteit.86 Deze Belgische volksaard en haar culturele uitingen werden op vergelijkbare wijzen gedefinieerd door de Brusselse jurist en schrijver Edmond Picard in ‘L’âme Belge’ (1897, Revue Encyclopédique Larousse) en later door André de Ridder in Le génie du Nord (1925).87
Om deze identiteit te onderschrijven legde men in het België van het fin de siècle, net als eerder de Franse romantische critici, verbanden tussen eigentijdse schrijvers en fantastische beeldende kunstenaars uit heden en verleden. Belgische schrijvers gebruikten het fantastische om zich retorisch te onderscheiden van de Franse literatuur, die analytischer en strikter zou zijn.88 Zodoende nam België gedeeltelijk gedachtegoed over uit de dominante Franse cultuur en gebruikte die voor haar eigen identiteitsvorming. Belgische critici benadrukten de beeldende gevoeligheid van Belgische schrijvers, die als coloristen en schilders werden neergezet.89 Schrijvers van opeenvolgende generaties, onder wie Charles de Coster, Maurice Maeterlinck en Franz Hellens, zagen zichzelf dan ook graag als erfgenamen van Vlaamse schilders. Daarbij werden de dubbele kenmerken van realistisch en mystiek (of fantastisch) in het werk van bijvoorbeeld Bosch en Bruegel benadrukt.90 Ook de buitenlandse spookverhalen van Edgar Allan Poe en Hoffmann werden regelmatig als vergelijkingsmateriaal voor fantastische kunst aangehaald.91
Beeldende kunstenaars hanteerden eenzelfde tactiek. Om zich als kunstenaar te positioneren gebruikte Ensor in zowel zijn kunst als zijn geschriften verwijzingen naar de grote Vlaamse schilders. Zeventiende-eeuwse giganten als Peter Paul Rubens en Jacob Jordaens werden aangehaald omwille van hun expressieve schilderwijze en kleurgebruik. Als het ging om fantastische en humoristische kunst kwam vooral Bruegel naar voren.92 Vergelijk bijvoorbeeld Duivels rossen engelen en aartsengelen af (1888, afb. 15) met Bruegels De val van de opstandige engelen (1562, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten België, Brussel).93 Ook de kunstkritiek legde verbanden tussen Ensors werk en dat van de Vlaamse meesters.94 Picard maakte in het toneelstuk Psukè (1903) van het personage Korsor, Ensors alter ego, de reïncarnatie van Bosch en diens ‘noordelijke ogen’ (yeux de boréal).95
In het discours over een typisch Belgische volksaard en bijbehorende kunst lag de nadruk vaak op zowel de realistische als fantastische kwaliteiten. Deze synthese tussen het realisme en de mystiek is ook wel gezien als ‘een glijmiddel voor de zelfbewuste uitbouw van een coherente, nationale kunstgeschiedenis’.96 Ook Maeterlinck zag een goed observatievermogen, natuurgetrouwheid en oog voor detail als karakteristiek voor de Vlaamse kunst. Hij verantwoordde hoe dit de fantastische kunst versterkte: de hybride demonen van de, volgens hem door de primitifs flamands geïnspireerde, Schongauer waren met opmerkelijk zoölogisch inzicht uit verschillende dieren opgebouwd.97 In de gruwelijke demonen die Antonius belagen, ontdekt de oplettende kijker bokkenpoten, octopuszuignappen en egelstekels.
In 1887 had de eerdergenoemde Picard in het tijdschrift L’Art Moderne de esthetische categorie van le fantastique réel geïntroduceerd. Hij verwoordde dit als een breed kunstbegrip, maar nam de literatuur als voorbeeld. Waar Picard le fantastique imaginatif met de uit de verbeelding puttende literatuur van Hoffmann en Poe associeerde, zag hij het uit de werkelijkheid puttende fantastique réel als een eigentijds fenomeen. Daarbij doelde hij hoofdzakelijk op de symbolisten. Volgens hem kon de kunstenaar door de realiteit goed te observeren en haar onsamenhangendheid te erkennen, aantonen wat er achter de werkelijkheid schuilt. Daardoor was het fantastische in de kunst ‘het bizarre in het angstaanjagende’.98
Het is verleidelijk om Picards concept van le fantastique réel op één lijn te plaatsen met dat wat volgens Maeterlinck typerend voor de Belgische satirisch-fantastische kunst was: het oog voor de werkelijkheid en detail. Daarvoor hield Maeterlinck te veel van de duivels en drôlerieën van Bosch en Bruegel, en werden de ‘verbeeldingsrijke fantastische’ spookverhalen van Hoffmann door de kunstkritiek te vaak vergeleken met dezelfde Vlaamse meesters. Dat deze geobserveerde verhoudingen tussen realiteit en verbeelding in de kunstkritiek konden verschuiven blijkt uit het feit dat in Hoffmanns eigen tijd juist over het surnaturel vrai in zijn werk werd geschreven, refererend aan de voortdurende schommelingen tussen de realiteit en het onwerkelijke.99 Zijn natuurlijke weergave van de realiteit werd ook wel getypeerd als het penseel van een Vlaamse meester op het moment in het verhaal waarop diezelfde realiteit toch vreemd begint te vervormen.100 Hoe men het ‘fantastische’ ook definieerde en in een schaal van werkelijk-onwerkelijk opdeelde, volgens de retoriek van Maeterlinck en tijdgenoten was deze intrinsiek met de Vlaams-Belgische volksaard verweven. Daarbij werd het ‘fantastische’ ingezet om België internationaal te positioneren en haar invloed op latere kunst en andere landen te verdedigen. Het door Maeterlinck ontwikkelde fantastische genre werd afgebakend als een hoofdzakelijk Belgisch zestiende-eeuws fenomeen. Toch bevat zijn benadering en de bredere (neo)romantische context waarin deze ontstond al een kiem voor een ruimere interpretatie die periode en nationaliteit oversteeg. Tijdens het interbellum werd dit door moderne kunstcritici verder uitgewerkt.
De traditie
Van Hecke: fantastische schilderkunst
De opvatting dat geniale artistieke kwaliteit niet schuilt in het toepassen van de klassieke wetten van de schilderkunst, maar uit expressie en spontane inventie ontstaat, bleef ook gangbaar in de twintigste eeuw. In België werd dit wederom expliciet aan het ‘fantastische’ verbonden, zoals in het artikel ‘La peinture fantastique’ (1928) van de journalist, schrijver, galeriehouder, kunstcriticus en couturier Paul-Gustave van Hecke.101 Van Hecke was een spilfiguur in de avant-gardistische Belgische kunstwereld en werkte geregeld met eerdergenoemde schrijvers als De Ridder en Hellens samen, bijvoorbeeld aan de galerie en het bijbehorende tijdschrift Sélection.102 Nadat Sélection was gestopt, richtte hij in 1928 het tijdschrift Variétés, een blad dat uitdrukking moest geven aan de kunst én het leven van de moderne tijd. De nummers werden gevuld met zowel artikelen als beeldkaternen die verrassende visuele combinaties creëerden.103
Voor Van Hecke ging het om de inhoud van de kunst; niet een letterlijk onderwerp, maar de inventie en emotie achter een werk. Daarbij verdedigde hij de schilderkunst tegenover de literatuur als uiting van het ‘fantastische’; waar woorden tekortschoten, drukten volgens hem kleuren en vormen het beste dromen uit. Het was een ‘poëtische abstractie’.104 Nadat eerder al de hiërarchie van kunstgenres en -vormen was bevraagd, zag Van Hecke nu de klassieke genres als sterk verouderd, en de kunsthistorische neiging om alles in hokjes op te delen als overbodig.105 Hij classificeerde het ‘fantastische’ als een expressie in de schilderkunst, niet als een specifieke stijl of beweging.106 De bijbehorende schilders die Van Hecke opsomde waren uitsluitend modern, veelal gelieerd aan het expressionisme, dada of surrealisme: Jean (Hans) Arp, Frits van den Berghe, Heinrich Campendonk, Marc Chagall, Giorgio de Chirico, Ensor, Max Ernst, George Grosz, Paul Klee, René Magritte, Joan Miró, Francis Picabia, Pablo Picasso en Henri Rousseau.107 Hoewel deze insteek radicaler was dan tot nu toe besproken, zette deze dezelfde romantische tendensen voort. Van Heckes kunst van spontane expressie, afkomstig uit de innerlijke wereld, moest de realiteit verstoren en het dagelijkse leven op een andere manier zichtbaar en werkelijk maken.108 Daarmee sloot hij aan bij het hiervoor besproken gedachtegoed, zoals de retoriek van Picards ‘rëele fantastische’ kunst en Maeterlincks blik op een satirische kunst die de alledaagse angsten en zonden transformeerde.109
Ook uitten avant-garde kringen rond Sélection en Variétés een neoromantische hang naar het primitieve.110 Zo werden Van den Berghe (afb. 16) en andere expressionisten in Sélection als moderne primitieven van het platteland neergezet.111 Tegelijkertijd werden in Onze Kunst Van den Berghe’s wilde uitspattingen van fantasie met de buitensporigheden van Bosch en Afrikaanse kunst in verband gebracht.112 Dat het Variétés-nummer met daarin ‘La peinture fantastique’ losjes aan ‘primitieve’ kunst was gewijd, is exemplarisch. Van Heckes artikel werd afgesloten met een beeldkatern van maskers en beeldjes van onder meer Azteekse en Mayaanse komaf. De spontane expressie van ‘fantastische’ kunst werd zodoende op gelijke voet gezet met de veronderstelde naïviteit en irrationaliteit van deze verre volkeren.
Benson: universele kunstvorm
‘Misschien is het de fantast die uiteindelijk dichter bij de waarheid komt dan wie dan ook’, schreef E.M. Benson in 1935, ‘want in plaats van ons een geïdealiseerde transformatie van de realiteit of een fotografisch nauwkeurige weergave te geven, geeft hij ons slechts de meest opmerkelijke en veelzeggende kenmerken ervan, nadat deze zijn gedistilleerd in de alambiek [alchemisch destilleertoestel] van zijn fantasie.’113 Daarmee reflecteerde hij op eerder aangehaalde ideeën: de verbeelding als een instrument om onderdelen uit de werkelijkheid samen te brengen tot iets nieuws in de kunst; en de kracht van fantastische kunstenaars om de waarheid achter de werkelijkheid te duiden.
Benson was een bekende Amerikaanse kunstdocent en -criticus.114 Voor de American Magazine of Art had hij het ambitieuze idee om een serie artikelen te schrijven over de verschillende ‘fases van de kunst’. Deze fases overstegen specifieke stijlen, stromingen, volkeren en zeitgeist.115 De vier artikelen deelde hij op in ‘primitieve’ kunst, naturalisme, fantasie en kalligrafie.116 Voor Benson was fantasie een essentieel onderdeel van alle kunsten en daarbij hechtte hij veel waarde aan de creatieve verbeelding van de kunstenaar. Fantastische kunst zorgde volgens Benson voor een fysieke of psychologische schok bij de kijker buiten de rede om. In navolging van zijn voorgangers stelde hij dat dit effect door onverwachte combinaties of vervormingen teweeg werd gebracht.117 Ook maakte Benson de primitivistische vergelijking tussen modern-westerse en etnografische kunst op basis van formalistische kwaliteiten: geabstraheerde hoofden van Constantin Brancusi, Miró en een Congolese kunstenaar toonden volgens hem alle drie de ‘vermenging van de morfologie van de natuur en die van de mens’.118
De fantastische kunst werd door Benson neergezet als een traditie die in alle tijden en op alle plekken van de wereld gevonden kon worden. Meerdere kunstenaars komen terug, zoals Bosch, Bruegel, Ensor, Goya, Grosz en Schongauer. Ook ‘allen die het surrealistische handelsmerk dragen’ hoorden volgens Benson bij de hedendaagse fantasten.119 Zijn enige expliciet geciteerde bron in dit artikel was Maeterlincks Peinture.120 Beide boeken van Maeterlinck had hij waarschijnlijk aandachtig gelezen, evenals de publicaties van zijn voorgangers in de karikatuurgeschiedenis. Dit blijkt uit Bensons referenties naar gotische koorbankdecoraties en karikaturisten als Rowlandson en Daumier, evenals uit zijn nadruk op diablerie en Bruegel. Die laatste was volgens Benson van invloed geweest op moderne kunstenaars als Chagall, Dalí, Klee, Alfred Kubin en Wassily Kandinsky.121
Benson besprak en waardeerde verschillende uitingen van het fantastische, van de nachtmerries van Bosch tot de persoonlijke symbolen van Ensor. Zijn voorkeur leek echter uit te gaan naar een satirisch-fantastische kunst waarin fantasie met sociaal commentaar samenhangt. Ook in dat opzicht zette hij de lijn van Maeterlinck voort. Bruegel en Goya waren voor Benson bij uitstek de kunstenaars met een balans tussen de verbeelding en de rede (Bruegel), en een rationeel gebruik van demonologie (Goya).122 Hij begon zijn artikel dan ook met een geparafraseerde versie van het onderschrift van Goya’s Slaap van de rede: ‘Fantasie gescheiden van de rede brengt monsters voort; verenigd, de ware kunstenaars.’123
De discussie rondom het rationele en het irrationele zette zich zodoende voort, en fantastische kunst werd daarbij niet altijd gelijkgesteld met het irrationele. Wel werd het ‘fantastische’ door de besproken kunsthistorici en -critici steevast als een uiting van expressie en inventie gezien, boven navolging van klassieke, beredeneerde kunstregels. Fantastische kunst opereerde op het grensvlak van fantasie en realiteit. Angstaanjagende duivels en raadselachtige vervorming konden de regels van de echte wereld bevragen en zo een diepere waarheid tonen. Volgens deze interpretatie functioneerde het fantastische op vergelijkbare wijze als het groteske.124 Arabeske ornamentele vormen, diablerie, hybride wezens en karikatuur waren alle actief in een proces van vervorming en bevraging van de realiteit.
Conclusie
Bensons en Maeterlincks teksten waren Barr bekend en droegen er waarschijnlijk toe bij dat hij het woord ‘fantastisch’ in 1936 in de titel van zijn tentoonstelling opnam. Vermoedelijk vond hij inspiratie in hun koppeling van het fantastische genre aan de diablerie en andere scènes die uit de fantasie voortkomen, en in de wijze waarop zij kunstenaars als Bosch, Bruegel, Ensor en de surrealisten behandelden. Dat alles sloot aan bij Barrs eigen associatie van het surrealisme met de fantasie.125 Deze berustte sterk op een koppeling van het surrealisme aan de romantiek, die op haar beurt weer tot de expressionistische, spontane en noordelijke kunst werd geschaard.126 Zo vonden via de fantastische kunst verschillende strengen van het groteske hun weg naar de modernistische interpretatie van het surrealisme.
Aldus ontwikkelde het ‘fantastische’ als kunstbegrip zich tussen de negentiende en vroege twintigste eeuw van een losse beschrijvende term tot een kader waarbinnen kunsthistorici en critici uiteenlopende soorten kunst met elkaar verbonden. Centraal in deze ontwikkeling definieerde Maeterlinck het ‘fantastische’ als een genre dat in de zestiende-eeuwse Vlaamse kunst was verankerd. Zijn benadering, sterk beïnvloed door de romantische herwaardering van verbeelding en expressie, evenals de bijbehorende negentiende-eeuwse karikatuurgeschiedschrijving en interdisciplinaire retoriek rondom ‘fantastisch’, legden de basis voor latere interpretaties waarin het ‘fantastische’ als een universele expressie en traditie werd opgevat. Maeterlincks ideeën ontwikkelden zich parallel aan een bredere Belgische culturele identiteitsvorming, die zich het ‘fantastische’ als essentieel onderdeel van de volksaard toe-eigende. Deze associatie tussen Belgische kunst en het ‘fantastische’, geworteld in een noord-zuid-dichotomie, werd door latere kunstcritici gecontinueerd.
Bij het uiteenzetten van deze ontwikkeling werden er in dit artikel onvermijdelijk onderwerpen uitgesloten die in het onderzoek naar fantastische kunst van belang zijn. Zo is er de romantische liefde voor de gothic die in de tweede helft van de achttiende eeuw in het bijzonder in Engeland opkwam. Hoe schrijvers als Sir Walter Scott en Matthew Lewis, wiens roman The Monk geliefd was bij de surrealisten, zich tot het literaire concept van ‘fantastisch’ verhielden, is al gedeeltelijk onderzocht.127 Maar hoe dit in verband stond met wat wij tegenwoordig als fantastische kunst beschouwen en met de droomtaferelen van kunstenaars als William Blake en Henri Fuseli verdient meer aandacht. En had deze Engelse context invloed op antiquarians als Wright? Ook roept het verrichte onderzoek verdere vragen op over de rol van humor in de waardering en definiëring van fantastische kunst. Hoe verhoudt het ‘komisch-groteske’ in de Duitse moderne kunst zich hier bijvoorbeeld toe, of de comique absolu van Baudelaire? Ten slotte zijn er waardevolle verkenningen naar de ‘fantastische’ werking van formalistische eigenschappen mogelijk. Is er een lijn te trekken tussen de benoeming van licht en kleur in Rembrandts of Georges Seurats werken als ‘fantastisch’ en latere abstracte surrealistische kunst? En in hoeverre problematiseren deze verschillende gebruiken van ‘fantastisch’ de historiografische ontwikkeling zoals hier beschreven? Zijn er daarbij wegen die niet bij Barr uitkomen? Met verder onderzoek naar deze verschillende thema’s kan er een steeds rijker beeld van de veelzijdige traditie van fantastische kunst worden gevormd.
Verantwoording
Dit artikel kon worden gerealiseerd dankzij het Surrealismefonds van Museum Boijmans Van Beuningen. Het Surrealismefonds is opgericht met de ruimhartige jaarlijkse gift van een particuliere begunstiger en wordt ingezet als een stipendium, met het oog op de tentoonstelling 500 Jaar Fantastische Kunst die het museum na de heropening wil organiseren. Elk jaar krijgt een beginnend kunsthistoricus de kans om onderzoek te doen naar een specifiek vraagstuk dat relevant is voor de beoogde tentoonstelling. Het derde stipendium is uitgereikt aan Lotte Kremer. In 2024 rondde zij haar RMA Art History af aan Universiteit Utrecht, waar zij zich specialiseerde in de negentiende eeuw, met een focus op de kunst en cultuur van fin-de-siècle België en Frankrijk. Haar interesse in collectieve en individuele identiteitsvorming, omgang met traditie, humorgebruik en intermedialiteit kwamen samen in haar masterscriptie over de zelfportretten van James Ensor (1860-1949). Verschillende bronnen rondom fantastische kunst en karikatuur die zij daarbij tegenkwam vormden de basis voor het huidige artikel. Het onderzoek werd begeleid door de samenstellers van 500 Jaar Fantastische Kunst: conservator moderne en hedendaagse kunst Saskia van Kampen-Prein en conservator prenten en tekeningen Peter van der Coelen.
Colofon
Auteur
Lotte Kremer
Begeleiding
Peter van der Coelen
Saskia van Kampen-Prein
Tekstredactie
Yvonne Brentjens
Beeldredactie
Lotte Kremer
Productie
Eva van Bladel
Sabine Terra
Fotoverantwoording
Collectie Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam: header, afb. 2, 9
Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn: afb. 1
Rijksmuseum, Amsterdam: afb. 3, 8, 10, 11, 14
Musée Carnavalet, Histoire de Paris, Parijs: afb. 7, 12
Bibliotheek Universiteit van Amsterdam: afb. 4, 5, 6
Art in Flanders: afb. 13, 15, 16
Eerste afbeelding: Pieter van der Heyden, naar Pieter Bruegel (I), De verzoeking van de heilige Antonius, 1556, gravure, 231 x 323 mm, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam
Het museum heeft getracht alle rechthebbenden te achterhalen. Indien u desondanks meent over rechten te beschikken, kunt u contact opnemen met Museum Boijmans Van Beuningen.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze bestandscatalogus mag worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt, in enige vorm, of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Museum Boijmans Van Beuningen.
© 2026 Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam
De auteur, de kunstenaars en de fotografen
Museum Boijmans Van Beuningen
Postbus 2277
3000 CG Rotterdam
T +31 (0)10 4419400
info@boijmans.nl
www.boijmans.nl
Noten
1 Zie het artikel van de eerste ontvanger van het Surrealismefonds: W. Ruijter, Een 'fantastische' tentoonstelling, Rotterdam (Museum Boijmans Van Beuningen) 2025, geraadpleegd 19 april 2026, https://www.boijmans.nl/collectie/onderzoek/een-fantastische-tentoonstelling.
2 Zie bijvoorbeeld T. Bauduin, 'Fantastic art, Barr, surrealism', Journal of Art Historiography 17 (2017), pp. 11-16.
3 ‘Fantastisch’, Woordenboek der Nederlandse Taal, in Instituut voor de Nederlandse Taal, Geïntegreerde Taalbank (GTB), geraadpleegd 6 april 2026, www.gtb.ivdnt.org.
4 ‘diverse form di dèmoni, che furono cosa fantastica e da ridere’ en ‘fantastiche e capricciose invenzioni’, G. Vasari, Le vite de’ piu eccellenti pittori, scultori, et architettori, dl. 3-1, Florence 1568, p. 311.
5 K. van Mander, Het Schilder-Boeck, Haarlem 1604, fol. 17r, 123v, 141r, 153v.
6 K. van Mander, Het Schilder-Boeck, Haarlem 1604, fol. 216v, 233r.
7 J. Muylle, ‘“Pier den Drol” – Karel van Mander en Pieter Bruegel: Bijdrage tot de literaire receptie van Pieter Bruegels werk ca. 1600’, in: H. Vekeman, J. Müller Hofstede (red.), Wort und Bild in Der Niederländschen Kunst und Literatur des 16. Und 17. Jahrhunderts, Erfstadt 1984, pp. 137-144.
8 ‘la fantaisie de Jérôme Bos, ‘un rocher de forme fantastique’, ‘rochers fantastiques’; ‘l’extraordinaire fantaisie’, ‘un des peintres les plus personnels de l’école des Pays-Bas’. K. van Mander, Le livre des peintres, vert. en red. Hymans, Parijs 1855, pp. 169-171, 302.
9 Zo besteedt hij hoofdstuk 10 aan de veertiende-eeuwse Vlaamse en Duitse fantastische schilders en hoofdstuk 14 aan de fantastische composities van Bruegel.
10 Mogelijk heeft hij de inspiratie hiervoor opgedaan uit het boek L’art profane à l’église: ses licences symboliques, satiriques et fantaisistes van G.-J. Witkwoski (Parijs 1908), dat werd uitgegeven bij Jean Schemit, dezelfde uitgeverij als Maeterlincks Sculpture en ook door hem als bron is gebruikt. L. Maeterlinck, Le genre satirique, fantastique et licencieux dans la sculpture flamande et wallonne : les miséricordes de stalles (art et folklore), Parijs 1910, pp. 8, 41, 123 et al.
11 E. Butterfield-Rosen, ‘The hierarchy of genres and the hierarchy of life-forms’, Res: Anthropology and Aesthetics 73-74 (2000), pp. 76-93; P. Duro, ‘Giving up on History? Challenges to the Hierarchy of the Genres in Early Nineteenth-Century France’, Art History 28 (2005) 5, pp. 689-711.
12 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 9.
13 K. van Mander, Het Schilder-Boeck, Haarlem 1604, fol. 233r.
14 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 371.
15 Voor een uiteenzetting van het ‘groteske’, zie F.S. Connelly, 'Introduction', in: F.S. Connelly (red.), Modern Art and the Grotesque, Cambridge 2003, pp. 1-19.
16 Bijvoorbeeld L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 211; Le genre satirique, fantastique et licencieux dans la sculpture flamande et wallonne : les miséricordes de stalles (art et folklore), Parijs 1910, p. 326.
17 Bijvoorbeeld L. Maeterlinck, Le genre satirique, fantastique et licencieux dans la sculpture flamande et wallonne : les miséricordes de stalles (art et folklore), Parijs 1910, pp. 123-124.
18 Bijvoorbeeld Roger van der Weyden : sculpteur, Parijs 1901; Roger van der Weyden et les ‘ymaigiers’ de Tournai, Brussel 1901; Péchés primitifs (art et folklore), Parijs 1912; Nabur Martins, ou le Maître de Flémalle, Brussel 1913; Hubert van Eyck et les peintres de son temps, Gent 1923.
19 Het huidige België bestaat pas sinds 1830. Maeterlinck ging echter uit van een Belgische en hoofdzakelijk Vlaamse identiteit die al sinds de eerste volkeren in het gebied bestaat. Tot de bijbehorende kunstenaars rekende hij ook de in Den Bosch geboren en werkzame Bosch, en Bruegel, wiens geboortegrond eveneens in het huidige Nederland ligt. Op deze nationalistische toe-eigening en ideeën over culturele volksaard zal later verder worden ingegaan.
20 H.E. Greve, ‘Geschiedenis der Satirieke Kunst: L. Maeterlinck. Le genre satirique dans la peinture flamande. 1903’, De Kroniek 9 (1903) 445, pp. 213-214.
21 F.S. Connelly, 'Introduction', in: F.S. Connelly (red.), Modern Art and the Grotesque, Cambridge 2003, p. 10.
22 S. Lee, ‘Wright, Thomas (1810-1877)’, in: L. Stephen (red.) et al., Dictionary of National Biography: Volume 36: Wordsworth – Zuylestein, Londen 1900, pp. 131-133; [H. Chrisholm (red.)], Encyclopædia Britannica: A Dictionary of Arts, Sciences, Literature and General Information: Eleventh Edition: Volume 28, Cambridge 1911, p. 847.
23 In 1875 verscheen de Franse vertaling en in 1903 de herziene en gecorrigeerde tweede editie hiervan. Deze is door Maeterlinck gebruikt: T. Wright, Histoire de la caricature et du grotesque dans la littérature et dans l’art, vert. door Octave Sachot, Parijs [1903].
24 D.A. Flanary, Champfleury: The Realist Writer as Art Critic, 'Studies in the Fine Arts: Criticism' 1, Ann Arbor (Michigan) 1980; S. Pappas, ‘The Lessons of Champfleury’, Nineteenth-Century French Studies 42 (2013-2014) 1/2, pp. 51-52.
25 Alle boeken behalve de laatste hebben ook herziene herdrukken gehad.
26 L. Maeterlinck, Le genre satirique, fantastique et licencieux dans la sculpture flamande et wallonne : les miséricordes de stalles (art et folklore), Parijs 1910, pp. 341-346.
27 Recensenten bekritiseerden zelfs Maeterlincks klakkeloze overname, zoals H.E. Greve, ‘Geschiedenis der Satirieke Kunst: L. Maeterlinck. Le genre satirique dans la peinture flamande. 1903’, De Kroniek 9 (1903) 445, pp. 213-214.
28 T. Wright, A History of Caricature and Grotesque in Literature and Art, Londen [1865], pp. 434-494.
29 Champfleury, Histoire de la caricature moderne, ([1865]), Parijs [1885] (3de ed.), pp. 3-196.
30 T. Wright, A History of Caricature and Grotesque in Literature and Art, Londen [1865], pp. 1-39; Champfleury [Jules François Felix Fleury-Husson], Histoire de la caricature antique ([1865]), Parijs 1967 (2de ed.).
31 ‘masques bizarres ou effrayants’ en ‘monstres’. L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), pp. 13-14.
32 L. Maeterlinck, ‘Les origines de notre art national’, L’Art Moderne 1902, pp. 266, 281-282.
33 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 196.
34 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), pp. 163, 206-207.
35 Daarbij groepeerde hij Jan Mandijn, Frans Verbeeck, Gillis Mostaert, Jan Provoost, Peeter Huys, Hieronymus Wierix, Jan Brueghel de Oude, Pieter Bruegel de Jonge en de Frans-Duitse Hans Baldung Grien.
36 Champfleury, Histoire de la caricature au moyen âge et sous la renaissance, ([1870]), Parijs [1876] (2de ed.), pp. 51, 92, 127, 211, 328-330.
37 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), pp. 222, 235.
38 J. Koldeweij et al., Jheronimus Bosch: schilder en tekenaar: catalogue raisonné, Brussel/’s-Hertogenbosch 2016, pp. 290-307.
39 J. Muylle, ‘Receptie in de 19e eeuwse Franse kunstliteratuur: Bruegel, de karikaturist’, Streven 59 (1991-1992), pp. 133-144.
40 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 290.
41 L. Maeterlinck, Le genre satirique, fantastique et licencieux dans la sculpture flamande et wallonne : les miséricordes de stalles (art et folklore), Parijs 1910, p. 339.
42 Ook deze stelling komt van Champfleury en Wright. Wright voegde daar nog Salvator Rosa aan toe. Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), pp. 347-356; T. Wright, A History of Caricature and Grotesque in Literature and Art, Londen [1865], pp. 296-298.
43 ‘nous trouvons une sorcellerie gaie, des drôleries amusantes mais bien distantes des cauchemars terrible de Jérôme Bosch et des diableries satiriques et moralisatrices de Pierre Breughel le Vieux’. L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 353.
44 Champfleury, Histoire de la caricature sous la réforme et la ligue – Louis XIII à Louis XVI –, Parijs [1880], p. 149.
45 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), pp. 362-364.
46 L. Maeterlinck, ‘La peinture flamande : la peinture belge au XIXe siècle’, L’Art et les artistes 14 (1912), p. 16.
47 L. Maeterlinck, ‘La peinture flamande : la peinture belge au XIXe siècle’, L’Art et les artistes 14 (1912), p. 10.
48 Bijvoorbeeld W. Ritter, ‘Franz Stuck’, Durendal 1 (1894), pp. 68-69; idem, ‘Les Grands Neo-Idealistes Allemands: Arnold Bocklin et Hans Sandretuer’, Durendal 1 (1894), pp. 230-234; anoniem [met quotes van V. Pica], ‘James Ensor’, L’Art Moderne 25 (1905), p. 297
49 E. Demolder, ‘Félicien Rops’, L’Art Moderne 21 (1901), p. 330.
50 ‘un fantastique graphique’. Champfleury, Histoire de la caricature moderne, ([1865]), Parijs [1885] (3de ed.), p. 80.
51 C. Baudelaire, ‘Quelques caricaturistes étrangers’, in: C. Baudelaire Curiosités esthétiques : Œuvres complètes de Charles Baudelaire, dl. 2, Parijs 1868, pp. 426-430.
52 C. Baudelaire, ‘De l’essence du rire’, ‘Quelques caricaturistes français’ en ‘Quelques caricaturistes étrangers’, in: C. Baudelaire Curiosités esthétiques : Œuvres complètes de Charles Baudelaire, dl. 2, Parijs 1868, pp. 245-436.
53 D.A. Flanary, Champfleury: The Realist Writer as Art Critic (Studies in the Fine Arts, dl. 1: Criticism), Ann Arbor (Michigan) 1980, pp. 55-56.
54 Champfleury, Histoire de la caricature moderne, ([1865]), Parijs [1885] (3de ed.), p. 293.
55 Francisco Goya, Ydioma universal: el autor soñando, 1797, Museo Nacional del Prado, Madrid, zie inv. D003923, in collectie online: www.museodelprado.
56 L. Prins, Schepping van de lijdende kunstenaar, diss. Vrije Universiteit Amsterdam 2025, p. 98.
57 H.-J. Dethlefs, ‘Caprice/Bizarrerie’, in: M.-C Heck (dir.), LexArt : Les mots de la peinture (France, Allemagne, Angleterre, Pays-Bas, 1600-1750), Montpellier 2018, pp. 103-104.
58 M.-C. Heck, ‘Imagination’, in : M.-C Heck (dir.), LexArt : Les mots de la peinture (France, Allemagne, Angleterre, Pays-Bas, 1600-1750), Montpellier 2018, pp. 283-284.
59 W.S. Melion, Karel van Mander and his Foundation of the Noble, Free Art of Painting: First English Translation, With Introduction and Commentary, Brill’s Studies on Art, Art History, and Intellectual History 62, Leiden/Boston 2022, p. 417, noot 37.
60 T. Wright, A History of Caricature and Grotesque in Literature and Art, Londen [1865], pp. 96-98.
61 H.-J. Dethlefs, ‘Caprice/Bizarrerie’, in: M.-C Heck (dir.), LexArt : Les mots de la peinture (France, Allemagne, Angleterre, Pays-Bas, 1600-1750), Montpellier 2018, p. 106.
62 F.M. Brittan, Berlioz, Hoffmann, and the Genre Fantastique in French Romanticism, diss. Cornell University, Ithaca, New York 2007, p. 176.
63 C.S. Wood, A History of Art History, Princeton 2019, pp. 225-226.
64 L. Prins, Schepping van de lijdende kunstenaar, diss. Vrije Universiteit Amsterdam 2025, pp. 57-62, 327, 516. Zie ook C. Moran, Staging the Artist: Performance and the Self-Portrait from Realism to Expressionism, Abingdon-on-Thames 2017.
65 M. Rooses, Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool, Gent 1879, p. 114; geciteerd in: L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 236.
66 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), pp. 39, 237.
67 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 223.
68 ‘visions infernales les plus bizarres créées par la folle imagination’. L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 156.
69 F.S. Connelly, The Sleep of Reason: Primitivism in Modern European Art and Aesthetics, 1725-1907, State College 1998, pp. 2-9.
70 B. Verschaffel, ‘Siffler les vices et les laideurs de la civilisation…’: Het groteske œuvre van James Ensor en de Encyclopédie de la caricature van Jules Champfleury’, De Witte Raaf 31 (2016) 181, p. 15.
71 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 157.
72 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), p. 223.
73 F.S. Connelly, The Sleep of Reason: Primitivism in Modern European Art and Aesthetics, 1725-1907, State College 1998, pp. 54-77; C. Kolokyta, 'Le Génie du Nord: Sélection and the Advocacy of a Cosmopolitan Northern Culture', Journal of European Periodical Studies 6 (2021) 2, pp. 55-71.
74 Zie bijvoorbeeld recent: F.M. Brittan, Berlioz, Hoffmann, and the Genre Fantastique in French Romanticism, diss. Cornell University, Ithaca, New York 2007; C. Kämpf, The New Shudder: About the Fantastic of Musical Romanticism, vert. ed. door DeepL en menselijke revisie, Berlijn 2024.
75 F.M. Brittan, Berlioz, Hoffmann, and the Genre Fantastique in French Romanticism, diss. Cornell University, Ithaca, New York 2007, pp. 64-69.
76 F.M. Brittan, Berlioz, Hoffmann, and the Genre Fantastique in French Romanticism, diss. Cornell University, Ithaca, New York 2007, pp. 11, 99-100, 289.
77 P. Larousse, Grand dictionnaire unviersel du XIXe siècle (15 delen), dl. 8, Parijs 1872, p. 93-95.
78 F.M. Brittan, Berlioz, Hoffmann, and the Genre Fantastique in French Romanticism, diss. Cornell University, Ithaca, New York 2007, pp. 180-181, 190.
79 ‘sonderbaren fantastischen Blättern’, ‘aller der fantastischen wunderlichen Erscheinungen, die der Zauber seiner überregen Fantasie hervorrief’. E.T.A. Hoffmann, Fantasiestücke in Callot’s Manier, dl. 1, Bamberg 1819, p. 3.
80 F.M. Brittan, Berlioz, Hoffmann, and the Genre Fantastique in French Romanticism, diss. Cornell University, Ithaca, New York 2007, pp. 169, 173.
81 A. Hayum, ‘The 1902 exhibition, Les Primitifs flamands: scholarly fallout and art historical reflections’, Journal of Art Historiography 11 (2014), pp. 13-15.
82 Hoewel Bosch niet de enige in het huidige Nederland geboren kunstenaar was, werkten anderen zoals Bruegel en Dieric Bouts voor een groot deel in Vlaanderen.
83 Ecce Homo¸ ca. 1476 of later, nu in Städel Museum, Frankfurt am Main. H. Hymans, L’Exposition des primitifs flamands à Bruges, Parijs 1902, pp. 76, 80.
84 T. Bauduin, 'Fantastic art, Barr, surrealism', Journal of Art Historiography, nr. 17 (december 2017), pp. 4, 14-15.
85 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), pp. 9, 29.
86 L. Maeterlinck, Le genre satirique, fantastique et licencieux dans la sculpture flamande et wallonne : les miséricordes de stalles (art et folklore), Parijs 1910, p. 326.
87 Deze karakteriseringen berustten gedeeltelijk op raciale en racistische opvattingen. Zie H. Roland, ‘Âme belge, « entre-deux » et microcosme: d’une fin de siècle à l’autre’, Textyles 24 (2004), pp. 7-15; C. Kolokyta, 'Le Génie du Nord: Sélection and the Advocacy of a Cosmopolitan Northern Culture', Journal of European Periodical Studies 6 (2021) 2, pp. 55-71.
88 A. Josefson, ‘La peinture, source d’inspiration du fantastique belge : L’exemple du Péché originel d’Hugo van der Goes dans l’œuvre de Thomas Owen’, Études Germaniques 286 (2017) 2, pp. 288-289.
89 C. Audin, ‘Du pinceau à la plume : les écrits de peintres en Belgique (1850-1950)’, Textyles 30 (2007), p. 89.
90 J. Ĺukasiak, ‘La Première Guerre mondiale à la breughélienne : sur Breughel à l’Yser de Franz Hellens’, Studia Romanica Posnaniensia 43 (2016) 4, p. 40.
91 Bijvoorbeeld: anoniem, ‘La Libre Esthétique (Quatrième article)’, L’Art Moderne (1895), p. 90; anoniem, ‘Le Salon des Aquarellistes’, L’Art Moderne 13 (1893), p. 388.
92 L. Brogniez, ‘La légende d’Ensor ou l’invention d’un « grand peintre flamand »’, Études Germaniques 286 (2017) 2, pp. 231-243.
93 Zie inv. 584, in collectie online: www.fine-arts-museum.be.
94 Dit was niet altijd positief, zoals toen een criticus stelde dat Ensors middeleeuws-achtige wanstaltigheden misschien de tijdgenoten van Bosch en Bruegel angst hadden ingeboezemd, maar dat ze de huidige kijker zelfs niet meer aan het lachen kregen: anoniem, ‘Aux XX’, L’Art Moderne (1889), p. 57.
95 Dit is een van meerdere fictieve personages gebaseerd op Ensor uit de Belgische literatuur/theater. A. Herkens, ‘Edmond Picard et James Ensor : une relation vue par le prisme de Psukè’, Textyles : Revue des lettres belges de langue française 50-51 (2017), pp. 224-237.
96 Deze zoektocht naar een nationale kunstgeschiedenis ontvouwde zich ook in de kunsttijdschriften; K. Dierckx, Pro Arte! Cui Bono? Kunst en expertise in laatnegentiende-eeuws Brussel (1860-1914), Antwerpen 2021, pp. 205-208.
97 L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande (1903), Brussel 1907 (2de ed.), pp. 209-210.
98 ‘le bizarre dans l’effrayant’. [E. Picard], ‘Le Fantastique Réel’, Art Moderne 4 (1887), pp. 25-27.
99 F.M. Brittan, Berlioz, Hoffmann, and the Genre Fantastique in French Romanticism, diss. Cornell University, Ithaca, New York 2007, pp. 67-68.
100 Naar citaat van de Franse dichter, kunst- en literatuurcriticus Théophile Gautier (1811-1872), in: P. Larousse, Grand dictionnaire unviersel du XIXe siècle (15 delen), dl. 8, Parijs 1872, p. 94.
101 P.-G. van Hecke, ‘La peinture fantastique’, Variétés 1 (1928) 7, pp. 343-346.
102 M. van der Aa, Tatave! Paul-Gustave van Hecke: Kunstpaus – modekoning – salonsocialist, Tielt 2017, pp. 176, 359.
103 S. Jacobs, 'Variétés (1928-1930) and the Surrealist Aesthetics of Urban Picture Spreads', in: S.S. Martins, A. Reverseau (red.), Paper Cities: Urban Portraits in Photographic Books, Leuven 2016, pp. 22-24.
104 ‘abstraction poétique’. P.-G. van Hecke, ‘La peinture fantastique’, Variétés 1 (1928) 7, pp. 344-345.
105 P.-G. van Hecke, ‘La peinture fantastique’, Variétés 1 (1928) 7, pp. 343-346.
106 A. Panhuysen, De Nieuwe Wereld: De wonderjaren van de Belgische avant-garde [1918-1939], Antwerpen 2010, p. 236.
107 De illustraties zijn van Van Berghe. P.-G. van Hecke, ‘La peinture fantastique’, Variétés 1 (1928) 7, p. 346.
108 P.-G. van Hecke, ‘La peinture fantastique’, Variétés 1 (1928) 7, pp. 343-346.
109 Hoewel er geen directe connectie tussen Maeterlinck en Van Hecke kan worden aangetoond, opereerden ze in overlappende kringen met intergenerationele wisselwerking, zoals rondom de tijdschriften L’Art Moderne, De Boomgaard en Sélection. Zie bijvoorbeeld C. Verbruggen, H. Vandevoorde, ‘Transnational Brokering: The Case for Symbolism and Surrealism in Flanders’, Revue belge de philologie et d’historie 92 (2014) 4, pp. 1343-1358.
110 M. van der Aa, Tatave! Paul-Gustave van Hecke: Kunstpaus – modekoning – salonsocialist, Tielt 2017, p. 360.
111 A. Panhuysen, De Nieuwe Wereld. De wonderjaren van de Belgische avant-garde [1918-1939], Antwerpen 2010, p. 135.
112 C.B. [Bernard], ‘Tentoonstellingen: F. van den Berghe’, Onze kunst 24 (1928) 45, p. 221.
113 ‘Perhaps it is the fantast who, after all, gets closer to the truth than anyone else, for instead of giving us an idealized transmutation of reality or a photographically accurate record, he gives us only its most salient and telling features after they have been distilled in the alembic of his fantasy.’ E.M. Benson, ‘Forms of Art: III: Phases of Phantasy', The American Magazine of Art 28 (1935) 5, p. 299.
114 Anoniem, ‘Authors in this issue’, The American Magazine of Art 28 (1935) 5, [z.p.]; anoniem, ‘Art Dean’, Dartmouth Alumni Magazine 45 (1953) 6, p. 61; ‘Benson, E.M. (Emanuel Mervin), 1904-1971’, Philadelphia Museum of Art Archives, geraadpleegd 27 maart 2026, https://pmalibrary.libraryhost.com/agents/people/2575.
115 E.M. Benson, ‘Forms of Art: I', The American Magazine of Art 28 (1935) 2, pp. 71-73, 77.
116 E.M. Benson, ‘Forms of Art: I', The American Magazine of Art 28 (1935) 2, pp. 70-77; ‘Forms of Art: II: Phases of Naturalism', The American Magazine of Art 28 (1935) 4, pp. 221-229; ‘Forms of Art: III: Phases of Phantasy', The American Magazine of Art 28 (1935) 5, pp. 290-299; ‘Forms of Art: IV: Phases of Calligraphy’, The American Magazine of Art 28 (1935) 5, pp. 356-363.
117 E.M. Benson, ‘Forms of Art: III: Phases of Phantasy', The American Magazine of Art 28 (1935) 5, pp. 290-292.
118 ‘cross-blending of nature’s morphology and man’s'. E.M. Benson, ‘Forms of Art: III: Phases of Phantasy', The American Magazine of Art 28 (1935) 5, p. 299.
119 ‘all those bearing the Surrealist trade-mark’. E.M. Benson, ‘Forms of Art: III: Phases of Phantasy', The American Magazine of Art 28 (1935) 5, p. 297.
120 E.M. Benson, ‘Forms of Art: III: Phases of Phantasy', The American Magazine of Art 28 (1935) 5, p. 297.
121 E.M. Benson, ‘Forms of Art: III: Phases of Phantasy', The American Magazine of Art 28 (1935) 5, p. 297.
122 E.M. Benson, ‘Forms of Art: III: Phases of Phantasy', The American Magazine of Art 28 (1935) 5, pp. 295-297.
123 ‘Fantasy divorced from reason produces monsters; united, the true artists’. E.M. Benson, ‘Forms of Art: III: Phases of Phantasy', The American Magazine of Art 28 (1935) 5, p. 290.
124 F.S. Connelly, 'Introduction', in: F.S. Connelly (red.), Modern Art and the Grotesque, Cambridge 2003, pp. 2-5; F.S. Connelly, The Grotesque in Western Art and Culture: The Image at Play, New York 2012, pp. 1-24.
125 W. Ruijter, Een 'fantastische' tentoonstelling, Rotterdam (Museum Boijmans Van Beuningen) 2025, geraadpleegd 19 april 2026, https://www.boijmans.nl/collectie/onderzoek/een-fantastische-tentoonstelling.
126 T. Bauduin, 'Fantastic art, Barr, surrealism', Journal of Art Historiography, 17 (2017), pp. 12-14.
127 C. Darie, 'Victor Brauner and the Surrealist Claim on the fantastique noir Imagery', in: L. Cleaver, A. Lepine, Gothic Legacies: Four Centuries of Tradition and Innovation in Art and Architecture, Newcastle upon Tyne 2012, pp. 135-143.