Richard Serra Tijdlijn

Richard Serra, Wassende bogen (1980, uitvoering tweede versie 1999)

Richard Serra (San Francisco 1939)
Wassende bogen

1980, uitvoering tweede versie 1999
Cortenstaal
Circa 360 x 1335 x 3 cm per boog
Inv. nr. BEK 1577 a-b (MK)
Aankoop met steun van het Fonds W. van Rede 1980

1978

De spraakmakende kunsthistoricus en tentoonstellingsmaker Wim Beeren werd in 1978 benoemd tot directeur van Museum Boijmans Van Beuningen. Een paar maanden na zijn aanstelling nodigde hij de Amerikaanse kunstenaar Richard Serra uit voor een bezoek aan het museum. Tijdens deze ontmoeting spraken ze af dat Serra twee sculpturen zou ontwerpen voor een solotentoonstelling in het museum. Beeren bood Serra de monumentale tentoonstellingsruimte op de eerste verdieping van de nieuwe museumvleugel aan. Deze zaal wordt ook wel ‘Bodonzaal’ genoemd naar architect Alexander Bodon.

1979

Serra bracht in de zomer een tweede voorbereidend bezoek van vijf dagen aan het museum voor een overleg over de ontwerpen die hij had ontwikkeld in samenwerking met ingenieur Malcolm Graff. Vanwege de beperkte vloerbelasting van de zaal kon slechts één van de twee sculpturen in de bovenzaal worden vervaardigd. Daarop besloot Beeren ook de voorzaal op de begane grond ter beschikking te stellen voor de tentoonstelling. Deze zaal, die direct naast de hoofdingang van het museum lag, was voorzien van een grote glazen pui en grensde direct aan de straat. De zaal fungeerde dan ook als de etalage van het museum.
Terugblikkend op het voorstel om ook voor deze ruimte een sculptuur te maken zei Serra in 1980:

De tweede keer dat ik hier was, was ik hier ongeveer 5 dagen (ik verdeelde mijn dagen tussen de boven- en de benedenverdieping). En één van de dingen die ik voelde in deze ruimte was dat zij altijd gebruikt was als een rechthoekige structuur waarin bepaalde objecten geplaatst werden waar je omheen kon lopen. Ik raakte geïnteresseerd in het gegeven dat de trap ongeveer 2,5 voet [76,2 cm, red.] hoger was dan het vloeroppervlak dat uitlijnde met de ramen. Ik realiseerde me dat wat ik het beste kon doen was me richten op de entree als een passage die de ruimte begrensd.” [Donker Duyvis 1980]

Eenmaal terug in New York werkte Serra zijn concept verder uit. Serra:

Ik werk niet vanuit het idee dat ik een plaatje wil maken om vervolgens het werk te bouwen. Meestal bedenk ik dingen met de hand: ik maak modellen of ik bouw een hele grote zandbak in mijn studio. Ik maak graag een zandbak, dan kan ik als een klein kind spelen. […]” [Donker Duyvis 1980]

1980

Op 16 juli leverde ingenieur Malcolm Graff het definitieve schetsontwerp voor beide kunstwerken en in oktober was het zover: ‘Wassende bogen’ werd geïnstalleerd in het bijzijn van Serra. Het kunstwerk bestond uit twee roestige stalen bogen in een lege zaal. Serra:

De kleur van het materiaal is de kleur van mijn werk. Ik ben niet geïnteresseerd in het benadrukken van oppervlaktes door ze op te poetsen of te schilderen. Wanneer je een materiaal schildert, ontken je de intrinsieke kwaliteit van het materiaal. Wanneer je staal schildert, voorkom je oxidatie, wat een inherente eigenschap van staal is.

Om het kunstwerk naar binnen te kunnen takelen werd één van de ruiten van de glazen pui opzij geschoven. Daarna werden de bogen door de technische staf van het museum naar de juiste plek gereden en voorzichtig op de vloer gezet. De operatie werd vastgelegd op video. Een paar dagen later, op 11 oktober, werden de bogen voor het eerst getoond aan het publiek. De tentoonstelling getiteld Richard Serra. Twee skulpturen voor Museum Boymans-van Beuningen (11.10.1980 – 16.11.1980) toonde naast sculpturen ook films en een aantal tekeningen die Serra in de dagen na de plaatsing van zijn werk maakte. [citaat ontleend aan: Serra 1994]

Bij de tentoonstelling verscheen een affiche annex brochure met een korte tekst van Serra waarin hij uitleg gaf over zijn bedoelingen met ‘Wassende bogen’:

Je kunt een ruimte niet ervaren buiten haar context. De ervaring van de sculptuur voltrekt zich geheel binnen de begrenzing van de toegemeten ruimte. In dit geval een zaal. Het plaatsen van de bogen verandert de rechthoekige structuur van de zaal in afzonderlijke, door gebogen lijnen begrensde ruimten.

Daarnaast lichtte Serra zijn intenties met het kunstwerk in een video-interview toe dat werd opgenomen door museummedewerker Paul Donker Duyvis. Serra zei hierin over de totstandkoming van ‘Wassende bogen’:

De beeldhouwkunst waarin ik geïnteresseerd ben, is niet alle beeldhouwkunst, maar [alleen die] beeldhouwkunst die te maken heeft met lopen en kijken en een gelijktijdigheid heeft van opeenvolgende momenten. […] Een van de opmerkelijke dingen van dit werk is dat deze twee vlakken parallel zijn […] maar de ruimte in haar verkorte samendrukking, de passage, lijkt uiteindelijk elliptisch. Wanneer je beide vlakken verlengd, bestaat het gevoel dat ze op een bepaald moment bij elkaar zullen komen. […] En wat gebeurt met een werk als dit, is dat in het voorbijgaan het volume, omdat je de muur niet kunt zien, abrupt eindigt en zijn massa in de architectuur geduwd wordt. Heel anders dan het gevoel dat we krijgen van die andere kant, die ook een bolling is, maar die een oneindigheid impliceert. Op het andere vloeroppervlak aan de buitenkant […] krijg je een hele grote veeg van oppervlakte en het gevoel van de bocht wordt hier bijna ontkend, je denkt dat het een plat vlak is met een kleine kromming erin […]. De meeste mensen die naar het werk kijken zijn compleet verbaasd over het feit dat ze [de bogen] hetzelfde zijn.” [citaten ontleend aan: Tentoonstellingsaffiche 1980 en Donker Duyvis 1980]

Toen ik hier met een meetlint de ruimte opmat en een idee probeerde te krijgen van waar de bogen konden functioneren op zo’n manier dat de ruimte niet alleen in drie duidelijk gedefinieerde fysieke delen zou worden verdeeld, maar dat er een idee van een doorgang gecreëerd wordt dat, wanneer je de fysieke tekening zou projecteren, de ervaring bijna tegen zou spreken. Wanneer je twee bogen parallel aan elkaar plaatst, wordt de ruimte samengeperst tot een elliptische voortzetting: je ervaart het niet als een voorspelbare, controleerbare, geprojecteerde geometrie die je kinesthetisch kunt kennen, tenzij je het ervaart. En al mijn werk is gebaseerd op lopen […]. Eigenlijk heb ik het werk enkel en alleen gebaseerd op de mogelijkheid om geïnternaliseerd te worden als een ervaring van lopen en kijken, stap voor stap.” [Donker Duyvis 1980]

November 1980

Serra was zeer tevreden met het resultaat schreef hij na afloop van de tentoonstelling in een brief aan Beeren.

Beste Wim, Ik heb tijd gehad om op de tentoonstelling en mijn verblijf in Rotterdam te reflecteren; en de korte tien dagen blijven me bij als een intense herinnering. Ik was erg tevreden met de gehele tentoonstelling […].

Niet lang daarna werd bekendgemaakt dat het museum ‘Wassende bogen’ en vier van Serra’s tekeningen aankocht met steun van het Fonds W. van Rede. De aankoop werd breed uitgemeten in de lokale en nationale pers. De reacties liepen sterk uiteen. De koppen luidden: “Serra-staal maakte tongen los” en “Wat kostte dat zootje oud roest?”, maar ook “Fascinerende sculpturen”. [citaten ontleend aan: Serra 1980, xxx, Anoniem 1980-f, Zumbrink 1980]

1982

In opdracht van Beeren onderzocht interieurarchitect Marijke van der Wijst hoe het entreegebied van het museum beter kon worden ingedeeld. Beeren wilde de ‘Wassende bogen’ meer in het museumgebouw integreren. De hoofdingang bevond zich in die tijd namelijk direct naast de tamelijk geïsoleerde Serrazaal. Daar kwam bij dat ze het kunstwerk en de omringende lege ruimte bij binnenkomst in het museum al door de glazen pui hadden gezien.
Een paar jaar later, in 1990, zou kunsthistoricus Camiel van Winkel in zijn artikel ‘Serra’s in Nederland. Een inventarisatie’ het volgende over de geïsoleerde ligging van het werk schrijven:

(…) in hoeverre het beeld ook als kritische ‘bezetter’ van het museum effect sorteert, is voor discussie vatbaar. Hoewel één van de museumzalen door Waxing Arcs [Engelse titel van het beeld, red.] wordt gegijzeld en in feite onbruikbaar is voor het exposeren van ander werk, verliest dit gebaar een deel van zijn kracht door de perifere positie van de zaal ten opzichte van de wandelroute. Wie niet speciaal voor Serra’s beeld is gekomen, zal de zaal rechts laten liggen en dus niets ervaren van de ruimtelijke beslaglegging.”

Een van Van der Wijsts plannen betrof het verplaatsen van de ingang van het museum naar de voorzijde van de Serrazaal. In de ontwerpschetsen die daarop volgden waren de entree en garderobe van het museum verplaatst naar de voorzijde van het museum. Bezoekers zouden hierdoor direct in de Serrazaal uitkomen en tussen de bogen door moeten lopen om de rest van het museum te kunnen betreden. Uiteindelijk is het bij een schetsontwerp en een eerste begroting gebleven. [citaat ontleend aan: Van Winkel 1990]

1985

Bij het vertrek van Beeren verscheen een collectieboek met alle aankopen op het gebied van de moderne kunst tijdens zijn directoraat. In het ter geleide gepubliceerde interview reageerde Beeren op de kritiek die ‘Wassende bogen’ bij aankoop opleverde:

We gaan kunst niet vereenzelvigen met mooi, al houden we van mooi, al vinden we dingen mooi. Er kan ook schoonheid in kunst ontstaan door een totaal ander gebaar, en Richard Serra is daar natuurlijk een voorbeeld van. Voor sommigen is dat een fantastisch beeld, maar voor veel mensen die minder gewend zijn te kijken en materie te zien, is het ook een heel hatelijk beeld. Zij zien nauwelijks onderscheid tussen deze vorm en een vorm, die ze in de haven aantreffen. Overigens vinden deze kunstenaars veel van wat in de haven gebeurt erg mooi, dus dat stoort elkaar helemaal niet zo. Maar goed, duidelijk is het wel. Het is een echt Rotterdams beeld. Het verwijst naar arbeid, hoogovens en havens. Ik vind het een heel sterk beeld en allereerst berekend op die ruimte. Verwijten dat die zaal weggevallen zou zijn, zijn niet terecht. Die zaal wordt op zeer veel verschillende wijzen gebruikt, in combinatie met Serra’s eigen tekeningen, of andere werken. Bijvoorbeeld als tentoonstellingszaal van Hard Werken, of als videozaal bij grote exposities. Eigenlijk is de zaal aldoor in gebruik, maar mensen worden, als ze op een gegeven moment iets niet zien, onrustig. Als ze geen object midden in de ruimte zien, dan realiseren ze zich niet, dat de ruimte geaccentueerd wordt en dat ook dat kunst is. Dan zien ze alleen maar leegheid en dat is het misverstand.” [Donker Duyvis, De Man, Ter Molen 1985, p.20]

1987

De in 1985 aangestelde directeur Wim Crouwel formuleerde samen met architect Hubert-Jan Henket ideeën voor een nieuw entreegebied. Hij wilde dat Serra’s bogen deel zouden uitmaken van de nieuwe hoofdingang van het museum. In het midden van de zaal moest een grote gastvrije entree komen die de mensen over de drempel van het museum zou lokken. Samen met Karel Schampers, hoofdconservator Moderne Kunst van het museum, bezocht hij de kunstenaar in New York om hem op de hoogte te stellen van de uitbreidingsplannen.
In datzelfde jaar gaf de Rotterdamse gemeente het museum toestemming voor de verbouwing. De glazen gevel werd verwijderd en de zaal verdubbelde in omvang. Er werd een uitbouw ontworpen over de hele breedte van de zaal, met overal ramen en zelfs met daglicht van boven. In het midden was een ruime entree gepland. Rechts daarvan moest een verleidelijke museumwinkel komen en links een strak vormgegeven café.

1991

In september werden de nieuwe voorzieningen in gebruik genomen. De ruimte kon niet langer beschouwd worden als volwaardige museumzaal, het kreeg de functie van entreegebied. Door de veranderingen in de ruimte die het museum had aangebracht was de oorspronkelijke ervaring van de sculptuur teniet gedaan. De ‘Wassende bogen’ fungeerden eerder als sluis tussen het entreegebied en het museum. Daarbij kwam dat bezoekers de ruimte nu vanaf de andere zijde betraden waardoor de oorspronkelijke ervaring van verrassing en heroriëntatie niet langer mogelijk was. Verder werd er fysieke inbreuk gedaan op de oorspronkelijk voor de sculptuur bestemde ruimte doordat het gedeelte achter de rechterboog ging fungeren als uitwijkplek voor het restaurant. Omwille van de toegankelijkheid van het museum kwam er een losse loopplank over de traptreden tussen de bogen. Bovenaan de trap bevonden zich de kassa’s. Mensen stonden dus in de rij voor een kaartje tussen de bogen. En pas bij het verlaten van het museum liepen de mensen tussen de bogen door in de richting zoals Serra het had bedoeld. Alleen waar je eerst tegen een glazen gevel aan liep, liep je nu tegen de winkel aan. Die winkel was – misschien niet zo verwonderlijk – dan ook een groot succes. 

1992

Serra schreef een brief aan de directie van Museum Boijmans Van Beuningen om zijn beklag te doen over de situatie van ‘Wassende bogen’. Hij was absoluut niet te spreken over de nieuwe situatie en wat deze verandering betekende voor zijn werk.  

1993

Johan ter Molen werd aangesteld als interim-directeur. Hij wisselde winkel en café om en gaf de laatste een nieuw uiterlijk. Maar of dat een verbetering was? Vanaf nu liep de bezoeker bij het verlaten van het museum niet de winkel maar het café in.

1996 (voorbereidende werkzaamheden vanaf 1993)

In 1996 werd Chris Dercon aangesteld als museumdirecteur. Zijn voorganger had naar aanleiding van de manifestatie Hedendaagse Franse Kunst in Nederland de Franse kunstenaar Daniel Buren uitgenodigd om een permanente installatie in het museum te maken. Dit proces werd verder begeleid door Dercon. Buren koos voor de Serrazaal en ontwierp een kunstwerk in de vorm van een scheidingswand. Deze wand scheidde ‘Wassende bogen’ van de facilitaire functies zoals de boekwinkel en het restaurant en markeerde de locatie van de oorspronkelijke buitenwand van het museum. De ruimte rondom de ‘Wassende bogen’ kreeg door deze ingreep weer haar oorspronkelijke afmetingen terug.
Van 10 april 1994 tot en met 12 juni 1994 vond een proefopstelling van het werk elders in het museum plaats vanwege de verplaatsing van het restaurant in de Serrazaal. In juni 1996 kreeg het werk een definitieve plek in de Serrazaal. Met de titel ‘D'une place l'autre: Placer, déplacer, ajuster, situer, transformer. Travail in situ’, verwees Buren naar de geschiedenis van de ‘Wassende bogen’ vanaf 1980. Met zijn werk kwam er een iets betere scheiding tussen kunst en commercie. Maar was dit wel zo’n goede reconstructie van de oorspronkelijke situatie? Eigenlijk voegde Buren er met zijn volumineuze bouwwerk met spiegels en een zwart-wit gestreept patroon van alles aan toe. Desalniettemin was Dercon tevreden met het resultaat en kocht het werk in 1996 aan met steun van het Fonds W. van Rede.

1998

Opnieuw werden er plannen geformuleerd voor uitbreiding van het museum. Ditmaal ging de opdracht naar architectenbureau Robbrecht & Daem. Dercon wilde van de Serrazaal weer een museumzaal maken. In de Volkskrant stond hierover:

“’Een goede beslissing, daar wil ik ze mee feliciteren’, zegt Crouwel opgetogen. ‘Heerlijk, dat die oude ingang weer zal worden gebruikt’.

Toen hij indertijd de Bodonvleugel opende, moest er ook een nieuwe ingang komen, vond hij, omdat het bezoek anders het hele museum door moest voor een kop koffie.

Uit personeelsgebrek moest ik de oude ingang dichtgooien.’

Dercon legde zijn prioriteiten anders, dacht hij.” Dercon zelf motiveerde zijn plannen als volgt:

Elke aankoop moet pijn doen. Elke aankoop moet een veranderingsmoment aanduiden en een veranderingsproces in gang zetten. Dat heeft Beeren heel goed gedaan: met ‘Wassende bogen’ van Serra zitten we nog steeds in de maag. Je moet met stukken die je aankoopt in de maag zitten. Serra blijft waar ‘ie was, alleen wordt hij weer geïsoleerd, omdat de entree en het café daar verdwijnen. Het moet zo in het gebouw staan alsof het gebouw uit zijn voegen barst. Je moet er bang van kunnen worden.

Robbrecht & Daem bedachten een ontwerp waarbij de ruimte in omvang verdubbelde en de ingang, winkel en restaurant naar elders werden verplaatst. Naast de Serrazaal kwam een nieuw kantoorgebouw met bibliotheek. [citaten ontleend aan: Ruiter 1996, Van Houts 1998]

1998

Met de brief uit 1992 in gedachten nodigde Dercon Serra uit om samen met diens galeriehouder Alexander von Berswordt-Wallrabe van Galerie M uit Bochum en architect Paul Robbrecht te bespreken hoe ‘Wassende bogen’ aan de nieuwe situatie kon worden aangepast. Op het moment van de afspraak waren de ontwerpplannen van Robbrecht & Daem al in een vergevorderd stadium.

Serra besloot de bogen in hun geheel te vervangen door nieuwe hogere exemplaren omdat de oude bogen volgens hem niet meer functioneerden. De nieuwe afmetingen van de zaal vroegen om nieuwe bogen. Serra was erg tevreden over het industriële uiterlijk van de geplande nieuwe zaal. Afgesproken werd dat:
- de trap zou worden vervangen door een hellingbaan.
- het systeemplafond zou worden verwijderd, zodat de ruimte hoger werd en het kale beton zichtbaar was. 
- de witte terrazzotegels op de grond zouden worden vervangen door een grijs geschilderde betonnen vloer
- de pilaren zouden worden vergroot door twee extra pilaren naast de bestaande te plaatsen en het geheel dicht te pleisteren tot twee nieuwe, grotere pilaren.

Pim Peters van bureau Corsmit maakte een stabiliteitsstudie. Het gewicht van de nieuwe platen maakte een nieuwe vloer van gewapend betonijzer noodzakelijk. Hoewel Serra voor de nieuwe bogen een hoogte van 3,85 meter wenste, werden deze in verband met technische en praktische haalbaarheid 3,65 meter hoog. Tevens werden de nieuwe platen een halve centimeter dikker dan het origineel. De afmetingen van de oorspronkelijke bogen waren 250 x 1350 x 2,5 cm. De nieuwe bogen zouden 365 x 1350 x 3 cm worden. Ook kregen de nieuwe bogen een andere walshuid. Opmerkelijk genoeg bleef het inventarisnummer onveranderd, wat betekent dat het museum deze tweede bogen niet als een nieuw kunstwerk in de collectie opnam.

1998 / 1999

Serra en Von Berswordt stelden een contract op waarin de belangrijkste afspraken waren vastgelegd. Dercon ondertekende het contract op 14 juni 1999. Het museum gaf garantie dat het werk en de zaal niet zonder toestemming van de kunstenaar zouden worden veranderd en dat de zaal bij voorkeur leeg zou blijven. Serra’s voorstel was dat ‘Wassende bogen’ eventueel in combinatie met Dan Flavins lichtsculptuur ‘Untitled’ (1968) of soortgelijke kunstwerken getoond zou mogen worden.
In een interview gepubliceerd in de tentoonstellingscatalogus ‘Richard Serra: fourty years of sculpture’ zei Serra het volgende over zijn fascinatie voor Flavins sculpturen en de invloed die zij hebben op de omringende ruimte:

De eerste Flavin-tentoonstelling die ik zag was belangrijk omdat hij de hele context erbij betrok, hij nam de hele ruimte in. Het was niet alleen een object in een ruimte. Die tentoonstelling in Kornblee [galerie, red.] was een van de meest invloedrijke shows die ik toen heb gezien [1967, red.].” [McShine 2007, p.22]

1999

Omdat Hoogovens (inmiddels onderdeel van staalbedrijf Corus) het staal niet kon leveren, kreeg Dillinger Hütte de opdracht. Corus bleef wel als sponsor betrokken. Nog voordat de nieuwe vleugel werd gebouwd, werden de oude stalen bogen verwijderd. Wethouder Hans Kombrink gaf op 29 oktober het startsein voor de nieuwbouw door de ceremoniële plaatsing van de eerste boog. De totale kosten vielen hoger uit dan begroot: 130.000 gulden, exclusief vloer en plafond. Het Fonds W. van Rede droeg 50.000 gulden bij. 

2003

In mei vond de heropening plaats van de nieuwe beeldenzaal die voor deze gelegenheid was ingericht met een ruime selectie moderne kunst uit de collectie van het museum. Zo was een derde, minder diepe versie van Burens kunstwerk te zien die ditmaal diagonaal in de ruimte was neergezet. Verder werden er kunstwerken getoond van Joseph Beuys, Isa Genzken, Bruce Nauman, Robert Morris, Carl Andre en Thomas Schütte. Opvallend genoeg was het werk van Dan Flavin niet te zien. Dercon maakte gebruik van de mazen die hij in het contract met Serra had gevonden. 

Nu

En zo staan de ‘Wassende bogen’ sindsdien in het museum. Weer zichtbaar vanaf de straat, maar bijna nooit alleen. En het is duidelijk geen 1980 meer. Zoals de huidige directeur Sjarel Ex (aangesteld in 2004) onlangs in een column schreef:

Hij staat er nog, de muur van Serra. Ongenaakbaar, terwijl inmiddels werkelijk alles in zijn omgeving is veranderd.” [Ex 2013]

En niet alleen de omgeving is veranderd. Het kunstwerk zelf is mee veranderd. Het is eigenlijk net als de titel van het werk: ‘Wassende bogen’; als de vorm van de maan die doorlopend maar vrijwel onzichtbaar verandert. En het werk blijft veranderen, dankzij onze museumbezoekers. Doordat zij in de ruimte lopen en de bogen beleven op hun eigen manier. Meer dan 8 ton staal, maar toch voortdurend in beweging.