Werken met een opvallende herkomstgeschiedenis

Op deze pagina worden werken uit de collectie met een mogelijk problematische herkomst gepubliceerd. Het museum hoopt door het publiekelijk maken van deze herkomsten mogelijk nieuwe informatie te verkrijgen. Alle objecten worden tevens gepubliceerd op de website van Museale verwervingen vanaf 1933.


Max Liebermann, Schrijvend meisje aan een tafel, inv.nr. MB 1959/T 9 (PK)

Schrijvend meisje aan een tafel door Max Liebermann, inv.nr. MB 1959/T 9 (PK)

Deze tekening van de Joodse kunstenaar Max Liebermann werd bij Paul Brandt te Amsterdam in 1959 geveild als onderdeel van de nalatenschap van de Joodse kunsthistoricus Max J. Friedländer, waar het door het museum werd aangekocht. Het is niet bekend hoe het werk in het bezit van Friedländer raakte. Het lijkt echter zeer waarschijnlijk dat dit gebeurde na het overlijden van Liebermann, met wie Friedländer bevriend was, gezien er een nalatenschapstempel in de linkerhoek van de tekening te zien is. Deze stempel werd door de weduwe van de kunstenaar, Martha Liebermann, aangebracht op de kunstwerken die aanwezig waren in Liebermann’s atelier na zijn overlijden in februari 1935. Na de zelfmoord van Martha Liebermann in 1943 werd Liebermann’s kunstverzameling in beslag genomen door de Nazi’s. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat deze tekening deel uitmaakte van de in beslaggenomen nalatenschap van Martha Liebermann.


Anoniem, navolger Anthonie van Dyck, Een bisschop geknield voor de H. Petrus, circa 1630, inv.nr. 2757 (OK) 

Een bisschop geknield voor de H. Petrus door Anoniem, navolger Anthonie van Dyck, inv.nr. 2757 (OK)

De olieverfschets 'Een bisschop geknield' voor de H. Petrus door een navolger van Anthonie van Dyck maakte deel uit van een boedelveiling als 'Der thronende St. Marcus […]' , destijds toegeschreven aan Van Dyck, bij het Berlijnse veilinghuis Mandelbaum & Kronthal in 1936. Hier werden de collectie en het interieur van Bleibtreustr. 17, Charlottenburg, Berlijn geveild. Het is momenteel niet bekend wie op dat moment op dit adres woonde - afgezien van de notitie dat het een arts en verzamelaar was -, en onder welke omstandigheden deze veiling plaatsvond. Het werk kwam vervolgens in het bezit van de Duits-Joodse kunsthistoricus en schrijver Lothar Brieger-Wasservogel, die het waarschijnlijk op of kort na de genoemde veiling kocht. Brieger vluchtte uit Berlijn naar Shanghai in 1938. Hij keerde terug naar Berlijn in 1947 voor een academische positie, waar hij overleed in 1949. Het is niet bekend onder welke omstandigheden het schilderij uit het bezit van Brieger raakte. Het werk werd in 1955 in Parijs geveild, maar de inbrenger is niet bekend. Het werd opnieuw in Parijs geveild in 1968, waarna het in het bezit kwam van de Londense kunsthandel P. & D. Colnaghi, die het aan het museum verkocht in 1969.


Honoré Daumier, De schilderijen-liefhebbers, 1860-1865, inv.nr. 2596 (OK) 

De schilderijen-liefhebbers door Honoré Daumier, inv.nr. 2597 (OK)

Dit schilderij werd samen met 'De kwijtschelding' (2596 (OK) door kunsthandelaar Jacques Goudstikker aan D.G. van Beuningen verkocht in april 1939. Met de aankoop van de nalatenschap van D.G. van Beuningen kwam het in het museum terecht in 1958. Het is niet bekend van wie en wanneer Goudstikker deze schilderijen kocht. 'De schilderijen-liefhebbers' lijkt in ieder geval sinds 1930 tot en met 1937 in het bezit te zijn geweest van de Duits-Joodse bankier en kunstverzamelaar Jakob Goldschmidt. Hij woonde in Berlijn, maar voelde zich al vroeg in de oorlog gedwongen de stad te verlaten met een deel van zijn kunstcollectie. Vanaf 1933 trok Goldschmidt door verschillende Europese steden, om zich in de VS te vestigen in 1936, waar hij in 1958 overleed. Het achtergebleven deel van zijn verzameling werd in de jaren ’40 door de Nazi’s in beslag genomen. Dit schilderij maakte geen deel uit van deze beslagname, maar het blijft de vraag wanneer en onder welke omstandigheden het uit de collectie van Goldschmidt raakte.


Honoré Daumier, de kwijtschelding, 1860-1865, inv.nr. 2596 (OK) 

De kwijtschelding door Honoré Daumier, inv.nr. 2596 (OK)

Dit schilderij werd samen met 'De schilderijen-liefhebbers' (2597 (OK)) door kunsthandelaar Jacques Goudstikker aan D.G. van Beuningen verkocht in april 1939. Met de aankoop van de nalatenschap van D.G. van Beuningen kwam het in het museum terecht in 1958. Het is niet bekend van wie en wanneer Goudstikker deze schilderijen kocht. 'De kwijtschelding' lijkt in ieder geval sinds 1930 tot en met 1937 (mogelijk 1938) in het bezit te zijn geweest van de Duits-Joodse bankier en kunstverzamelaar Jakob Goldschmidt. Hij woonde in Berlijn, maar voelde zich al vroeg in de oorlog gedwongen de stad te verlaten met een deel van zijn kunstcollectie. Goldschmidt vluchtte uit de Duitse hoofdstad in 1933, om zich in de VS te vestigen in 1936, waar hij in 1958 overleed. Het achtergebleven deel van zijn verzameling werd in de jaren ’40 door de Nazi’s in beslag genomen. Dit schilderij maakte geen deel uit van deze beslagname, maar het blijft de vraag wanneer en onder welke omstandigheden het uit de collectie van Goldschmidt raakte.


Honoré Daumier, Straattafereel, circa 1864, inv.nr. 2595 (OK)

Straattafereel door Honoré Daumier, inv.nr. 2595 (OK)

'Straattafereel', geschilderd door Honoré Daumier, werd in juni 1939 door de kunsthandelaar Jacques Goudstikker aan D.G. van Beuningen verkocht. Met de aankoop van de nalatenschap van D.G. van Beuningen kwam het in het museum terecht in 1958. Het is niet bekend van wie en wanneer Goudstikker het schilderij kocht. Het lijkt erop dat het in ieder geval vanaf 1926 tot een momenteel onbekend jaar na 1930 in de collectie van de Duits-Joodse ondernemer en kunstverzamelaar Otto Blumenfeld uit Hamburg was. Blumenfeld moest de stad in 1938 ontvluchten en vertrok naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij in 1975 overleed. Het is niet bekend wanneer 'Straattafereel' uit het bezit van Blumenfeld raakte, en onder welke omstandigheden dit plaatsvond.


L: Anoniem, schotel, 1520-1540, inv.nr. T 1 (KN&V) 
R: Anoniem, schotel, 1515-1540, inv.nr. T 2 (KN&V) 


L: Anoniem, Giorgio Andreoli, Schilder Giorgio Andreoli, schotel, inv.nr. T 3 (KN&V)

R: Anoniem, schaal, 1536, inv.nr. T 4 (KN&V)


L: Francesco Urbini, schotel, 1534, 
inv.nr. T 5 (KN&V)
R: Anoniem, schotel, 1537, inv.nr. T 6 (KN&V)


L: Nicola da Urbino, schotel, circa 1530, inv.nr T 7
 (KN&V)
R: Francesco Xanto Avelli, schotel, 1538, inv.nr. T 8 (KN&V)


L:
 Francesco Xanto Avelli, schotel, 1539, inv.nr. T 9 (KN&V)
R:
 Anoniem, schotel, 1540-1550, 
inv.nr. T 10 (KN&V)


Guido Fontana, schotel, circa 1560, inv.nr. T 11 (KN&V)

Elf majolica schotels uit de collectie van Eugen Gutmann, inv.nr. T 1 t/m T 11 (KN&V)

Sinds 1968 bevinden zich in Museum Boijmans Van Beuningen (eerst als bruikleen en sinds 1994 als schenking) elf stukken majolica uit de voormalige verzameling van de Duits-Joodse bankier Eugen Gutmann (1840-1925).

De collectie van Eugen Gutmann kwam na zijn overlijden onverdeeld in gemeenschappelijk eigendom van zijn zes kinderen waaronder zijn zoon F.B.E. (Fritz) Gutmann (1886-1944) die de collectie beheerde.

Fritz Gutmann (die vanaf 1924 de Nederlandse nationaliteit verkreeg) woonde met zijn gezin op het landgoed Huize Bosbeek bij Heemstede, waar ook hij een eigen omvangrijke kunstcollectie bijeenbracht. In 1941 en 1942 verkocht Fritz Gutmann objecten uit de collectie Eugen Gutmann en uit zijn eigen collectie aan diverse Duitse handelaren waaronder Karl Haberstock en Julius Böhler, om zijn vlucht met zijn echtgenote uit Nederland te bekostigen. In 1943 werden Fritz Gutmann en zijn echtgenote door de nazi’s opgepakt. Zij kwamen in concentratiekampen om het leven.

Het is niet bekend of de elf stukken majolica eigendom waren van de erven Gutmann of van Fritz Gutmann en wanneer en op welke wijze ze van eigenaar zijn gewisseld. Uitgebreid herkomstonderzoek door het museum geeft geen uitsluitsel over de vraag van wie de stukken in de cruciale periode 1933-1945 waren. Vanaf 1955 waren in elk geval zeven en vermoedelijk alle schotels in het bezit van Mr. J.W. Frederiks (1889-1962). Het is niet bekend waar en wanneer Frederiks de stukken verwierf.

De elf stukken majolica werden in 1994 geschonken aan het museum als onderdeel van de collectie Frederiks (1889-1962).

Het museum is in contact met erven om de zaak voor bindend advies voor te leggen aan de Restitutiecommissie.


Meester van de Magdalena-legende, Maria met Kind dat een appel vasthoudt, circa 1500, inv.nr 2481 (OK)

Maria met kind door de Meester van de legende van de Heilige Magdalena, inv.nr. 2481 (OK)

Het schilderij 'Maria met kind dat een appel vasthoudtvan de Meester van de legende van de Heilige Magdalena werd op 21 november 1932 geveild door Galleria Scopinich in Milaan (nr. 136, als Rogier van der Weyden). In 1937 was het werk in handen van dr. Hans Wendland, een Duitse kunsthandelaar die bekend staat om de handel in geroofde kunst tijdens de oorlogsperiode. Hij was een leidende persoon in transacties tussen Duitsland, Frankrijk en Zwitserland. Vanaf 1938 was het schilderij in bezit van D.G. van Beuningen, met wiens collectie het uiteindelijk in 1958 in het museum kwam. Het is onbekend wie in 1932 de koper was op de veiling van Galleria Scopinich te Milaan. Daarnaast is niet bekend wanneer en van wie dr. Wendland het werk heeft verworven en hoe Van Beuningen in bezit kwam van het schilderij.


Hans Memling, De bewening van Christus, circa 1480, inv.nr. 2471 (OK)

De bewening van Christus door Hans Memling, inv.nr. 2471 (OK)

Het schilderij 'De bewening van Christusdoor Hans Memling was in 1936 in bezit van Arthur Goldschmidt, een uit Duitsland gevluchte Joodse kunsthandelaar van wie de naam wordt geassocieerd met de handel in geroofde kunst. Goldschmidt vestigde zich in 1936 in Parijs aan de Place Vendôme samen met Paul Graupe, een andere Berlijnse kunsthandelaar. Na de bezetting van Parijs door de Duitsers in 1940, is hun handelsvoorraad geconfisqueerd en is Goldschmidt gevangengenomen. Na zes maanden werd hij vrijgelaten en is hij via Spanje uiteindelijk in Havana (Cuba) terechtgekomen, waar hij zijn kunsthandel voortzette. Het is onbekend van wie en wanneer Goldschmidt het schilderij 'De bewening van Christusheeft verworven. Het was in ieder geval tot 1917 in bezit van Richard von Kaufmann in Berlijn. In 1936 werd het schilderij van Goldschmidt gekocht door D.G. van Beuningen. Met diens verzameling kwam het in 1958 in het museum terecht.