Verwervingen in de jaren 1933-1940 en 1948-heden (onderzoek 2010-heden)

In het kader van het landelijke onderzoeksproject Museale Verwervingen vanaf 1933 van de Museumvereniging doet Museum Boijmans Van Beuningen sinds 2010 onderzoek naar de verwervingen tussen 1933 en 1940, en van 1948 tot heden. Onderzoek naar de aanwinsten tijdens de oorlogsjaren en in de jaren direct daarna (1940-1948) vond plaats van 1998 tot 2001 tijdens het project Museale Verwervingen 1940-1948. Het huidige project moet gezien worden als een vervolg daarop.

Resultaten van het onderzoek 2010-2013

Na een eerste inventarisatie in 2010, startte het museum in 2011 een onderzoek naar de herkomstgeschiedenis van kunstwerken die zijn verworven in de periode 1933-1940 en 1948-heden. Het onderzoek richtte zich op zowel de kunstwerken die eigendom zijn van de Gemeente Rotterdam en die het museum beheert, als op de stukken die het in bruikleen heeft van Stichting Museum Boijmans Van Beuningen. In 2013 werden de eerste resultaten van het onderzoeksproject bekend gemaakt. Negen werken bleken een mogelijk problematische herkomst te hebben, namelijk de schilderijen 'Maria met kind dat een appel vasthoudt' van de Meester van de legende van de Heilige Magdalena en 'De bewening' van Hans Memling, en zeven stukken majolica uit de voormalige collectie Pringsheim. De kunstwerken werden op zowel de website van Museale Verwervingen vanaf 1933 als die van het museum zelf gepubliceerd.

Resultaten van het onderzoek 2014-heden

Het herkomstonderzoek naar de perioden 1933-1940 en 1948-heden werd in 2014 voortgezet. Bovendien werd er opnieuw gekeken naar de verwervingen uit de periode 1940-1948. De resultaten tot op heden zijn in mei 2017 gepubliceerd, en betreffen zestien werken met een mogelijk problematische herkomst: drie schilderijen van Honoré Daumier, 'Een bisschop knielend voor de H. Petrus' van een navolger van Van Dyck, een tekening van Max Liebermann en elf stukken majolica uit de voormalige collectie Eugen Gutmann.

Het museum doet momenteel intensief onderzoek naar de resterende werken uit de collectie, en verwacht eind 2017 het onderzoeksproject Museale Verwervingen vanaf 1933 af te kunnen ronden. De hieruit voortkomende resultaten zullen op de website van het museum en Museale Verwervingen vanaf 1933 worden gepubliceerd.

Afbakening van de onderzoeksperiodes

De grenzen en criteria van het project Museale Verwervingen vanaf 1933 zijn gesteld door de Museumvereniging. Er wordt onderzoek gedaan naar de herkomst van alle aanwinsten vanaf 1933, omdat in dat jaar in Duitsland de nationaalsocialisten aan de macht kwamen, en de vervolging en confiscatie van eigendommen van Joden en andere bevolkingsgroepen begon. In een steeds vijandiger omgeving zagen vooral Joden zich vanaf 1933 genoodzaakt om hun kunstcollecties te verkopen – hetzij om te voorzien in hun levensonderhoud, hetzij om hun vlucht naar andere landen te bekostigen.

Niet alleen tijdens de oorlog, maar ook gedurende vele jaren daarna kwamen kunstvoorwerpen uit voormalig Joods bezit via kunsthandels, veilingen en particulieren op de markt. Tot ongeveer 1954 werden kunstwerken waar zich geen eigenaar meer voor meldde door de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) en haar taakopvolger, bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen (Hergo), op veilingen verkocht. Ook musea hebben zo - vaak zonder dat ze het wisten - kunstwerken verworven uit voormalig Joods bezit. Voor werken die na 1954 in museumcollecties terecht kwamen, is het lastiger om de volledige herkomstgeschiedenis na te gaan. Daarom hebben de verwervingen in de periodes 1933-1954 prioriteit. Het onderzoek naar de verwervingen in de periode 1954-heden heeft een globaler karakter.

Onderzoeksterrein

Om het onderzoek uit te voeren, moest eerst het onderzoeksterrein worden afgebakend en een selectie worden gemaakt van de te onderzoeken kunstwerken. Eerst werden de werken uitgesloten die na 1945 zijn vervaardigd, voor 1933 zijn verworven of direct zijn aangekocht van de kunstenaar of diens familie. Ook werden de werken die zich als bruikleen van het ICN met een inventarisnummer NK in het museum bevinden van het onderzoek uitgesloten. Deze objecten werden vanaf oktober 1997 in opdracht van het ministerie van OC&W al uitvoerig onderzocht door de Commissie Ekkart in het kader van het project Herkomst Gezocht (eindrapportage 2006). Het onderzoeksterrein dat overbleef omvatte:

  • ca. 50.000 werken uit de collectie Prenten;
  • ca. 1100 werken uit de collectie Tekeningen;
  • 763 werken uit de collectie Kunstnijverheid en Vormgeving;
  • 424 werken uit de collecties Moderne en Hedendaagse Kunst en Stadscollectie;
  • 265 werken uit de collectie Oude Kunst.

Bronnen

Voor alle deelcollecties geldt dat de herkomstgeschiedenis van de afzonderlijke kunstwerken grondig is onderzocht met behulp van de in het museum aanwezige informatie: inventariskaarten en -boeken, aanwinstenregisters, jaarverslagen, objectdossiers en het geautomatiseerde collectieregistratiesysteem TMS. Ook werden tentoonstellings- en bestandscatalogi, kunstenaarsmonografieën en andere relevante publicaties geraadpleegd.

Herkenningswaarde

Voor de collecties Prenten, Tekeningen en Kunstnijverheid geldt dat de kunstwerken vaak een geringe of zelfs geen enkele herkenningswaarde hebben: het is dan moeilijk om te bepalen of specifieke informatie bij een specifiek kunstwerk hoort. Op deze gebieden heeft het onderzoek dan ook een globaler karakter gehad: er is vooral geprobeerd de directe herkomst te achterhalen. Voor de deelcollecties Moderne en Hedendaagse Kunst, Stadscollectie en Oude Kunst - waarvan de kunstwerken een hoge herkenningswaarde hebben - is ook de indirecte herkomstgeschiedenis vanaf 1933 zo goed mogelijk gereconstrueerd.

Niet sluitende of verdachte herkomst

Binnen de collecties Moderne en Hedendaagse Kunst, Stadscollectie en Oude Kunst geldt dat de herkomstgeschiedenis niet van alle werken sluitend kon worden gemaakt: vaak is bijvoorbeeld niet bekend of er tussen twee voormalige eigenaars nog een andere eigenaar zat, wanneer een voormalige eigenaar in bezit kwam van het werk, of wie de inbrenger was op een veiling. Een werk zonder sluitende herkomstgeschiedenis hoeft echter niet per se verdacht te zijn. In de meeste gevallen roept de - weliswaar incomplete, maar toch zo goed mogelijk gereconstrueerde - herkomstgeschiedenis helemaal geen vragen op. Naar een selecte groep werken met een opvallende herkomstgeschiedenis wordt verder onderzoek gedaan bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, het Stadsarchief Rotterdam en diverse online databases.