Eigendomsclaim van een kleindochter van de verzamelaar

Sinds 1997 wordt de gehele Collectie Koenigs geclaimd door mw. C.F. (Christine) Koenigs (1952), een van de kleinkinderen van de verzamelaar, die verklaart mede op te treden namens ‘de Erven Koenigs’ (zie o.a. interview met haar in Vrij Nederland 05.11.2005). Zij heeft inmiddels bij de Staat der Nederlanden, de stad Rotterdam, de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen en enkele buitenlandse musea claims ingediend op onderdelen van de Collectie Koenigs en de in 1940 verkochte schilderijen (zie lijst claims). Meer informatie wordt door haar gepresenteerd op The Official Koenigs Site en op een weblog.

Naar aanleiding van de terugkeer van Koenigs-tekeningen uit de voormalige DDR en Oekraïne (1987, 2004) heeft mw. C.F. Koenigs in 1997 en 2004 claims ingediend bij het Ministerie van OCW ten aanzien van 28 schilderijen en 37 tekeningen, respectievelijk 139 tekeningen en 3 prenten.>MEER Ook claimt zij de nog niet gerecupereerde 307 tekeningen in Moskou, die de Nederlandse staat claimt.

Het Ministerie van OCW heeft de twee eerstgenoemde claims ter advisering voorgelegd aan de in januari 2002 ingestelde Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (beter bekend als de Restitutiecommissie). Deze onafhankelijke commissie onderzoekt en beoordeelt, op basis van het sinds 2000 versoepelde teruggave- beleid van de rijksoverheid, individuele verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verdwenen. Het gaat daarbij om claims op kunst- werken waarvan de toenmalige eigenaar onvrijwillig het bezit heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Hoewel de opdracht van de Restitutiecommissie ziet op kunstwerken in rijksbezit, is het op grond van artikel 2 lid 2 van het instellingsbesluit >MEER ook mogelijk voor particulieren en niet-rijksinstellingen om gezamenlijk geschillen ten aanzien van kunstwerken die niet rijkseigendom zijn via de Minister van OCW aan de Restitutiecommissie voor te leggen voor een (bindend) advies. >MEER 

De Restitutiecommissie adviseerde de Staatssecretaris van OCW op 3 november 2003 om de voorgelegde restitutieverzoeken van mw. C.F. Koenigs (dossier RC 1.6) af te wijzen.

De commissie oordeelt (p. 5, punt 15) “dat het bezitsverlies van Koenigs geen gevolg was van omstandigheden die in directe relatie stonden met het nazi-regime doch uitsluitend verband hield met de economische omstandigheden in Duitsland” en merkt in dat verband op “Dat er ten tijde van de onderhandelingen over en de verkoop van de collectie sprake was van een alom aanwezige oorlogsdreiging kan aan het voorgaande geen afbreuk doen. >BRON

De claim is op basis van het uitvoerig beargumenteerde negatieve advies van de Restitutie- commissie door de Staatssecretaris van OCW afgewezen. >MEER De Raad van State deed in januari 2007 in hoger beroep de uitspraak dat tegen dit besluit voor mw. C.F. Koenigs geen bestuursrechtelijke procedure openstond, daarmee een eerdere uitspraak van de Amsterdamse rechtbank vernietigend. Consequentie hiervan is dat degenen die het niet eens zijn met besluiten inzake restitutieverzoeken zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden. >MEER / MEER De behandeling van de adviesaanvraag ten aanzien van de nadien door mw. C.F. Koenigs ingediende claim op de tekeningen en prenten die de Nederlandse Staat in 2004 van Oekraïne heeft teruggekregen, en een verzoek om heropening van de behandeling van de eerdere claim op basis van vermeende nieuwe feiten (‘nova’), lopen nog (dossier RC 1.35). Naar aanleiding van een klacht van mw. C.F. Koenigs is de Nationale Ombudsman van mening (uitspraak 8 november 2010) dat de Minister van OCW aan de Restitutiecommissie zou moeten overlaten hoe met de ‘nova’ van mw. C.F. Koenigs om te gaan en in welke procedure deze te betrekken. >MEER Het ligt in de lijn der verwachting dat de Minister van OCW dit alsnog zal doen. De Nationale Ombudsman doet overigens geen uitspraak over de eigendom van de collectie, omdat hij dit aan de rechter laat, en concludeert dat de Staat zich niet partijdig heeft opgesteld in de restitutie- procedures en niet onbehoorlijk handelt door zich als eigenaar te gedragen.

De claim van mw. C.F. Koenigs op de tekeningen en schilderijen in eigendom van de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen (het grootste deel van de Collectie Koenigs: ongeveer 2.000 tekeningen en 8 schilderijen) is reeds in 1997 door het bestuur van de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen afgewezen. Een voorstel van mw. C.F. Koenigs van december 2006 om gezamenlijk een verzoek om (bindend) advies voor te leggen aan de Restitutiecommissie is in 2007 door het stichtingsbestuur afgewezen. Tot op heden is door mw. C.F. Koenigs afgezien van een civiele procedure. Voor de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen is de zaak daarmee vooralsnog afgehandeld.

In december 2006 diende mw. C.F. Koenigs een restitutieverzoek in bij de Gemeente Rotterdam ten aanzien van de vier tekeningen en vier schilderijen uit de Collectie Koenigs die in 1958 met de collectie van D.G. van Beuningen van diens erven zijn verworven ten behoeve van het museum. Zij stelde daarbij voor om de Minister van OCW te verzoeken deze kwestie gezamenlijk voor (bindend) advies voor te leggen aan de Restitutiecommis- sie, hetgeen door het College van B&W in 2007 is afgewezen, verwijzend naar het advies van de Restitutiecommissie van 2003. Naar aanleiding van een door mw. C.F. Koenigs bij de Gemeentelijke Ombudsman van Rotterdam ingediende klacht is deze kwestie nog in behandeling.

De claim van mw. C.F. Koenigs, in 2000 ingediend bij The Courtauld Institute of Art in Londen, betreffende drie Rubens-schilderijen uit de collectie van F.W. Koenigs is in 2007 afgewezen door de Britse Spoliation Advisory Panel, met onder meer de volgende overweging:

“35. [...] it must be borne in mind that it is an intrinsic part of the claimant’s case, (see paragraph 9 above), that it was Koenigs’ intention in 1939 and 1940 that about two-thirds of his collection would remain in the Museum, where it was then on loan; and that the smaller part would be sold to discharge the loan owed to the Bank, which she legitimately points out was about a third of the then estimated value of the collection. Consequently, it is hard to see why she or any other descendants of Koenigs have any moral claim at all. There is no evidence that he ever intended to leave these drawings and paintings to his heirs. If anyone suffered here it was one of two other parties. Either the Bank suffered because Goudstikkerdid not pay it the money that it was owed and, therefore, its assets were reduced; or the Museum suffered because otherwise it would have acquired more of Koenigs’ art collection. In these circumstances the Panel cannot see what moral claim the claimant has to the paintings”.>MEER

Binnen de familie Koenigs wordt over de hierboven beschreven acties van mw. C.F. Koenigs, gericht op restitutie van delen van de collectie, verschillend gedacht. In juli 1997 hebben de heer mr. W.O. Koenigs (1926-2009) en zijn zuster A.K.M. Boerlage-Koenigs (1922-2004), kinderen van de verzamelaar, zich van de acties van hun nicht (dochter van hun oudere broer) gedistantieerd en haar het recht ontzegd namens de familie Koenigs op te treden. >BRON / [BulletinVRnr2zomer1997.JPG] Mw. C.F. Koenigs zegt vijf van de dertien andere erfgenamen, waarvan de namen in 2010 vertrouwelijk aan Museum Boijmans zijn meegedeeld, mede te vertegenwoordigen. In de claimprocedure bij de Nederlandse Staat in 2003 (dossier RC 1.6) trad zij alleen op voor zichzelf en haar moeder mw. A.C. Koenigs-Hers. >BRON De heer mr. W.O. Koenigs verzocht op 24 maart 2003 de Restitutiecommissie het verzoek tot teruggave van de Collectie Koenigs af te wijzen. >BRON 

Tot zijn overlijden in december 2009 heeft de heer mr. W.O. Koenigs altijd actief de claim van de Nederlandse Staat op de nog vermiste tekeningen in Moskou (en elders) ondersteund en was tegelijkertijd van mening dat nazaten van Franz Koenigs geen aanspraak kunnen maken op de collectie omdat zijn vader vrijwillig en vanwege de vooroorlogse economische omstandigheden afstand heeft gedaan van de collectie. In het najaar van 2006 heeft de heer mr. W.O. Koenigs in een interview met Frank Kuitenbrouwer in NRC Handelsblad >BRON alsmede in een brief aan de directie van Museum Boijmans Van Beuningen en aan de ministeries van OCW en Buitenlandse Zaken zijn standpunt herhaald en nader toegelicht [WOKoenigsbriefSept06.pdf]

“Mijn vader was een zakenman. Zijn aanvankelijk succes heeft hem gefortuneerd gemaakt, waardoor hij financieel in staat was een verzameling op te bouwen. Aan zakendoen kleven echter ook risico’s, die hij bewust heeft genomen. Daarbij heeft hij gegokt, en deels verloren. Hij heeft evenwel gewonnen omdat zijn wereldvermaarde, samenhangende collectie ondanks alle financiële en politieke perikelen grotendeels bij elkaar is gebleven en nog bij zijn leven een plaats heeft gevonden in het museum waar hij dat wenste”. [...] “Er is geen sprake van een claim van de familie Koenigs, hooguit van de persoon Christine Koenigs, een van de veertien kleinkinderen van mijn vader en slechts voor een zeer klein percentage erfgerechtigd” [...] “De handelwijze van mijn nicht Christine en de misinformatie die de laatste jaren in verband daarmee in de media circuleert, is uitsluitend ten detrimente van F.W. Koenigs, verzamelaar van een samenhangende collectie. Die samenhang juist was voor hem essentieel. Als rasechte verzamelaar was zijn streven niet zozeer het bevredigen van eigen smaak maar compleetheid”[WOKoenigsbriefSept06.pdf]


Franz Wilhelm Koenigs (1881-1941)

Tot slot

Op 28 maart 1941, wanneer de transacties ten aanzien van de eigendom van de collectie en zijn onderdelen achter de rug zijn, en niet lang voor de plotselinge dood van de verzamelaar, schrijft dr. Jan G. van Gelder (1903-1980), die van 1924 tot 1940 conservator van het prentenkabinet van Museum Boijmans Van Beuningen was, en sinds 1 december 1940 waarnemend directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag, in zijn nieuwe hoedanigheid aan de verzamelaar Franz Koenigs:

“Zeer geachte Heer Koenigs, Van Dr. Lütjens mochten wij heden den catalogus van Uwe Collectie in ontvangst nemen. Voor dit welkome geschenk, dat ook latere geslachten nog zullen bewonderen als belangrijk document voor het verzamelwezen in ons land, zeg ik u hartelijk dank. Wij zijn blij deze herinnering aan die prachtige periode, die nu achter ons ligt, te mogen bewaren”. [D-228.pdf]

Bijna zeventig jaar later, op 17 januari 2009, tijdens de ‘Dag van de verzamelaar’ in Museum Boijmans Van Beuningen sloot Koenigs’ zoon mr. W.O. Koenigs zijn lezing ‘Wat dreef een particulier om tekeningen te verzamelen?’ af met de woorden:

“Ons rest de hoop en verwachting, dat de collectie ooit weer compleet in het Museum Boijmans te zien zal zijn, zoals mijn vader dat wenste. Te weten dat zijn verzameling, door hem gekoesterd en met zoveel hartstocht bijeen gebracht, nu met zorg en toewijding is ondergebracht in het nieuwe klimatologisch beveiligde prentenkabinet, met de mogelijkheid dat velen, zoals vroeger in Haarlem gebruikelijk was, van het grootste deel van zijn unieke tekeningenverzameling kunnen genieten, daarover in het bijzonder zou mijn vader verheugd zijn geweest. Ik spreek de hoop uit dat U allen liefhebbers die de kunst een warm hart toedragen, van de tekeningen al dan niet in combinatie met de schilderijen rustig kunnen genieten”. [WOKlezing17jan09.pdf]

Rotterdam, december 2010

Deze tekst en de in dit document opgenomen hyperlinks (bronnen en verdere informatie in de literatuur en op het internet) zullen waar nodig worden bijgesteld of uitgebreid.

 

Auteur: Albert Elen