De Collectie Koenigs komt in eigendom van de liquiderende bank (1940)

Kenmerkend voor fiduciair eigendomsrecht is dat het niet zichtbaar is voor derden. De correspondentie over de bruikleen van de Collectie Koenigs in de periode 1935-1939 ging tussen het museum (in de persoon van de museumdirecteur Hannema) en de verzamelaar en liep dus niet via de bank. [1-1-8.pdf] / [1-1-9.pdf] Het is goed mogelijk dat het museum pas in 1939 heeft vernomen hoe de eigendomssituatie precies in elkaar stak en tot dat moment verondersteld heeft een bruikleen rechtstreeks van de verzamelaar te hebben. In ieder geval werden het museum en het bestuur van de net opgerichte museumstichting overvallen door de aankondiging in de zomer van 1939 - correspondentie hierover is niet bekend - dat de Collectie Koenigs als geheel te koop werd aangeboden. Men stelde direct alles in het werk om geldschieters te vinden teneinde de Collectie Koenigs voor Nederland te behouden, in Museum Boijmans.

Uit het handgeschreven Notulenboek van de op 17 juli 1939 opgerichte Stichting Museum Boijmans, (eerste) vergadering van het curatorium van 26 oktober 1939: “Voorts doet de Voorzitter mededeeling dat de verzameling schilderijen en teekeningen van den heer F. Koenigs, welke sinds 1935 in het Museum in bruikleen was het volgend jaar zal weggaan. Dit beteekent voor het Museum een buitengewoon groot verlies. Het bedrag dat met een eventueelen aankoop is gemoeid, is dermate groot dat het niet gemakkelijk zal zijn deze verzameling voor Rotterdam te behouden. De groote vraag is wat gedaan zou kunnen worden om dit verlies alsnog te voorkomen. De heer Hannema geeft een beknopt overzicht van de vele belangrijke zaken, die deze collectie bevat. Behalve de schilderijen, waaronder Jeroen Bosch en Rubens domineeren, is een unieke en uitgelezen verzameling oude teekeningen aanwezig. De Nederlandsche, Duitsche Fransche en Italiaansche scholen zijn rijkelijk vertegenwoordigd. In het bijzonder roemt spreker de reeks teekeningen van den Boeren Bruegel, van Watteau, Rubens en de vijftig bladen van Rembrandt. Het Museum heeft talrijke tentoonstellingen in de laatste jaren van deze grootscheepsch aangelegde verzameling kunnen houden. Het verlies hiervan zou voor Rotterdam een ramp beteekenen. De heer Heldring vraagt wat er met de collectie zal gebeuren. De heer van der Vorm deelt mede dat de Amerikaansche Musea belangstelling ervoor hebben. Het geheel is verpand voor + 2 millioengulden waarbij dan nog de rente komt. Hij vraagt of de Regering in dit bijzondere geval niet iets doen kan. Dr. Schneider vindt het een landsbelang wanneer de collectie hier blijft. Hij zal bij het Departement van O.K. en W. informeeren of steun mogelijk is. De heer van Beuningen vraagt zich af of het niet mogelijk zou zijn een syndicaat te vormen. Men zou dan eventueel kunnen verkoopen wat voor het Museum niet zoo belangrijk is. Ten slotte wordt besloten dat het Dagelijksch Bestuur deze zaak verder zal bestudeeren”. [Curatorium1939-1965.pdf] #1

Op dat moment werd er al meer dan twee maanden onderhandeld over de verwerving van de Collectie Koenigs voor het Museum Boijmans. De vraagprijs was 2.200.000 gulden. Kunsthandelaar Jacques Goudstikker was door de bank en de verzamelaar als makelaar aangewezen. Hij benaderde meteen de verzamelaar D.G. van Beuningen, een jarenlange vaste klant van hem en tevens de voornaamste begunstiger van het museum. In een brief aan Van Beuningen van 29 augustus 1939, waarin hij de aankoop door Van Beuningen van een schilderij van Dieric Bouts bevestigt, schrijft Goudstikker onder andere:

“Door Uwe aankopen van den laatsten tijd heeft U naar mijne meening Uwe verzameling tot verreweg de beste Nederlandsche collectie gemaakt en het geheele land mag er, naar het mij voorkomt, trotsch op zijn dat zooiets binnen zijn grenzen mogelijk is. Het zal mij zeer verheugen als ik dezer dagen nog verder met U en Dr. Hannema mag onderhandelen over de collectie K. Het is een aangelegenheid die volgens mijn inzicht het Museum Boymans niet mag laten voorbijgaan, waartoe alle kans is indien men op dit precaire moment de knoop niet doorhakt”. [DGvBmap3.jpg]

De kapitaalkrachtige Rotterdamse zakenman D.G. van Beuningen (1877- 1955) was directeur van de Steenkolen Handelsvereniging (SHV). >MEER Hij was een vooraanstaand verzamelaar van schilderijen en belangrijkste mecenas van Museum Boijmans. >MEER Sinds de oprichting in 1939 was hij lid van het curatorium van de Stichting Museum Boijmans, dat ten doel had (en nog steeds heeft) “Het bevorderen van den bloei van het Museum Boymans te Rotterdam”. [Curatorium1939-1965.pdf] Van Beuningen was vooral een schilderijen- verzamelaar; voor tekeningen had hij minder interesse omdat deze vanwege de lichtgevoelig- heid in dozen opgeborgen worden en niet langdurig opgehangen. Hoewel hij op dat moment meer ijzers in het verzamelvuur had, steunde hij actief de pogingen om de Collectie Koenigs te behouden voor het museum. Door zijn doortastende optreden gelukte dit, op de valreep.

De vertegenwoordiger van de bank bij de verkoop van Collectie Koenigs was de joodse Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940), wiens voornaamste klant Van Beuningen was, al sinds 1916. >MEER Goudstikker had hem ook geadviseerd bij de aankoop van een groot deel van de schilderijen en bronzen van de failliete Oostenrijkse bankier Stephan von Auspitz in 1929. Deze kunstwerken zijn later (1958), met de verzameling van Van Beuningen, in Museum Boijmans gekomen en vormen sindsdien de kern van de verzameling Italiaanse schilderkunst.

 

Er was in 1939 sprake van “veel belangstelling van meerdere zijden”, waarmee Amerikaanse geïnteresseerden werden bedoeld, hoewel dat kennelijk geen concrete vorm heeft aangenomen. Door de gespannen situatie in Europa en het begin van de Tweede Wereldoorlog (in september 1939, na de Duitse inval in Polen) en de afwezigheid buitenslands van enkele betrokkenen vlotten de onderhandelingen niet. Het museum trachtte uiteindelijk ook een andere Rotterdamse industrieel en begunstiger van het museum, Willem van der Vorm (1873-1957, >MEER) te bewegen om de Collectie Koenigs ten behoeve van het museum aan te kopen; Hannema zond Van der Vorm op 13 maart1940 een brandbrief met een bijgevoegde taxatie, waarom Van der Vorm had gevraagd, met de mededeling dat Koenigs hem had gebeld dat de collectie binnen twee weken naar Lissabon (waar grootaandeelhouder en bankdirecteur Kramarsky sinds eind 1939 verbleef) zou worden getransporteerd en dat Koenigs “al het mogelijke zou willen doen om de zaak hier te houden”. [1-1-14.pdf] Hannema zond Van Beuningen acht dagen later dezelfde stukken.

Toen de bank Lisser & Rosenkranz op 2 april 1940 officieel in liquidatie trad (waarschijnlijk om als joodse onderneming gevrijwaard te blijven van Duitse inmenging in geval van bezetting van Nederland), was de verkoop van de Collectie Koenigs nog niet rond. Koenigs had te kennen gegeven zijn door de bank opgeëiste lening niet terug te betalen en de bank werd derhalve op 2 april 1940 vol eigenaar van de Collectie Koenigs, waarvan het museum door Koenigs direct schriftelijk in kennis werd gesteld. [1-1-15.pdf] De bank was op basis van de overeenkomsten (zie p. 6) [E-4.pdf] bevoegd om de collectie als geheel door te verkopen en het verschil te verrekenen (uitwinning van het zekerheidsrecht). De bank zegde derhalve op diezelfde dag de bruikleenovereenkomst bij het museum schriftelijk op en verzocht de museumdirectie om de Collectie Koenigs te verpakken en voor transport gereed te maken. [1-1-16.pdf] Het museum gaf aan bezig te zijn de tekeningen op een verantwoorde manier in te pakken en dat deze op 16 april door een expediteur zouden kunnen worden afgehaald. [1-1-18.pdf] De bestemming was vooralsnog Lissabon, waarnaar de grootste aandeelhouder (een der twee bankdirecteuren) al in 1939 was vertrokken, op weg naar de Verenigde Staten.

Volgens het jongste kind van de verzamelaar, mr W.O. Koenigs (oud-bankier, oud-voorzitter van de Vereniging Rembrandt en oud-bestuurslid van de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen), was het niet de bedoeling van zijn vader het eigendomsrecht weer terug te kopen omdat hij niet over voldoende middelen beschikte door de aanleg van een nieuwe collectie. Hij beschouwde de eerste collectie (de Collectie Koenigs) als afgerond en deze bevond zich reeds op de plek waar de verzamelaar deze wenste: Museum Boijmans.

Verkoop van de Collectie Koenigs door de bank aan D.G. van Beuningen (1940)

Op 2 april 1940 werd de tekeningencollectie samen met 47 schilderijen door de bank in betaling aangenomen ter voldoening van Koenigs’ schuld [E-4.pdf] / [E-5.pdf] en vervolgens een week later, op 9 april 1940 met 12 van de schilderijen (acht van Rubens en vier van Bosch) door de bank verkocht aan Van Beuningen [F-1.jpg], waarmee het transport naar het buitenland werd voorkomen en de collectie in het museum bleef.

Uit het handgeschreven Notulenboek van de Stichting Museum Boijmans, vergadering curatorium van 18 april 1940: “De notulen van de vorige vergadering worden voorgelezen en goedgekeurd. De Voorzitter deelt vervolgens mede dat de verzameling Koenigs, welke sinds 1935 in het Museum in bruikleen was en waarover meermalen beraadslagingen gehouden zijn in het Curatorium van de Stichting Museum Boymans thans voor Rotterdam behouden is. De heer Hannema vertelt dat op 2 April het verzoek binnenkwam om praeparatieven te maken voor de verzending van de geheele collectie naar Lissabon. Het Museum aldaar had reeds toegezegd de verzameling te zullen bewaren. Op 5 April had des morgens half negen een bespreking op het Museum plaats tusschen de heeren Koenigs, van der Vorm en van Beuningen. Dien middag ging de heer van Beuningen naar Amsterdam om de zaak te behandelen met de Bankiersfirma Lisser en Rosenkranz die eigenaresse geworden was van de geheele collectie. De heer van B. deed toen een bod dat echter niet aanvaard werd. Op 8 April kwam een tweede brandbrief. Alles zou over eenige dagen opgehaald worden. Op 9 April had des morgens ten kantore van den heer van Beuningen een bespreking plaats met den heer Goudstikker, die optrad als vertegenwoordiger van de firma Lisser en Rosenkranz. Het resultaat was dat dien middag de transactie tot stand kwam. Deze aankoop omvat de geheele verzameling teekeningen zonder uitzondering, de 4 schilderijen van Jeroen Bosch benevens acht schilderijen van Rubens w.o. het prachtige landschap uit de voormalige verzameling Northbrook. De heer Van Hasselt wenscht het museum Boymans en de initiatiefnemers namens de Vereeniging Rembrandt geluk. Het is een daad die ver uitgaat boven het locale belang”.[Curatorium1939-1965.pdf] #2

Door de ingestorte kunstmarkt was de aankoopprijs lager dan de 2.500.000 gulden verzekeringswaarde van 1935 en de getaxeerde waarde van 2.250.000 gulden van maart 1940.[E-4.pdf] De gestipuleerde verkoop ‘en bloc’ had uiteraard ook een prijsdrukkende werking. Van Beuningen stelde zich zakelijk op en bood minder dan de helft van de vraagprijs van 2.200.000 gulden. Met de verkoop voor 1.000.000 gulden door de bank aan Van Beuningen werd derhalve niet de volledige vordering op Koenigs van ongeveer 1.800.000 gulden afgelost. Er restte nog een schuld van 844.557 gulden; om deze te voldoen, droeg Koenigs op 2 april 1940 ook 35 van de 47 schilderijen uit het bruikleen aan Museum Boijmans in volle eigendom over aan de bank. [E-5.pdf] / [E-6.pdf] Deze werden vervolgens door de bank verkocht aan de kunsthandel Goudstikker. De schilderijen werden op 19 april 1940 bij het museum opgehaald. [1-1-20.pdf]

Franz Koenigs was tevreden over de verkoop van zijn collectie door de bank aan Van Beuningen, omdat deze zo integraal behouden bleef voor Nederland en nog wel in het museum van zijn eigen keuze, waar de collectie al sinds 1935 voor onbepaalde tijd werd bewaard. Dit blijkt uit zijn brief van 17 april 1940: “[...] Ook ons verheugt het, dat de collectie in Holland is gebleven en wij zien haar natuurlijk het liefst in Museum Boymans. Om aan deze gevoelens uiting te geven, heb ik U door bemiddeling van den Heer Lütjens twee tekeningen van Carpaccio uit de collectie Oppenheimer, voor het Boymans Museum toegezonden. Zij kunnen wellicht eene steeds door mij gevoelde leemte in de opeenvolging der Venetiaansche teekeningen eenigszins aanvullen”.[1-3-1.pdf] Koenigs had deze tekeningen op 10 juli 1936 aangekocht op een veiling bij Christie’s in Londen. [Curatorium1939-1965.pdf] #4

Bij de verkoop van de Collectie Koenigs aan Van Beuningen heeft de verkoper (de bank) niet bedongen dat er niet doorverkocht mocht worden of dat de verzameling als geheel geschonken moest worden aan het museum. De koper deed wel de toezegging dat de verzameling voorlopig als ‘Collectie F. Koenigs’ gepresenteerd zou blijven. Dit laatste blijkt uit de brief van de bank aan Van Beuningen van 9 april 1940: “Uit Uw desbetreffende toezegging hebben wy met dank genoteerd, dat bovengenoemde verzameling teekeningen en schilderyen, zoolang deeze in het museum zullen zijn tentoongesteld, aldaar zullen verblyven onder de tot nu toe bestaande benaming van ‘Collectie F. Koenigs’ ”. [1-1-18.pdf] Aan de museumdirectie schreef de bank diezelfde dag een brief met een ongeveer gelijk- luidende passage, zonder de beperking tot de verblijfsduur in het museum: “Door de toezegging, welke de heer D.G. van Beuningen ons heeft gedaan, namelyk dat de bestaande benaming voor de verzameling teekeningen en schilderyen gehandhaaft blyft, is tevens de wensch van den heer Koenigs vervuld”. [1-1-18.pdf] De toezegging van het naamsbehoud werd bevestigd aan Koenigs in de brief van directeur Hannema van 12 april 1940: “Ik wil u echter de verzekering geven, dat ook in de toekomst de verzameling, waaraan steeds uw naam verbonden zal blijven, met de meeste zorg beheerd zal worden. Ik hoop daarom ook van harte, dat de band tusschen het Museum Boymans, de verzameling Koenigs en U beiden zal blijven bestaan”. [1-1-19.pdf] In 1942, een jaar na het overlijden van de verzamelaar, schreef zijn weduwe Anna Koenigs-von Kalckreuth (1890- 1946) aan directeur Hannema: “[...] Ik ben blij om alles, wat in het Museum Boymans en in Nederland is gebleven, want het was altijd de wensch van mijn man, dat zijn verzameling in ons land zou blijven. De regels, die u over mijn man als verzamelaar hebt geschreven, vond ik bijzonder kenschetsend voor hem en zijn manier van verzamelen [...]”. [1-1-23.pdf]

Helaas kwam Franz Koenigs op 6 mei 1941, op weg naar een van zijn zusters die woonde in het ouderlijk huis in Sinzig-am-Rhein, door een ongeluk op het station van Keulen om het leven. In een poging om op een wegrijdende trein te springen kwam hij onfortuinlijk ten val en brak zijn ruggengraat. Op weg naar het ziekenhuis overleed hij aan zijn verwondingen.

 

Van Beuningen verkoopt 20% van de Collectie Koenigs aan de Duitsers en schenkt 80% aan de museumstichting (1940)

In december 1940 schonk D.G. van Beuningen de Collectie Koenigs met vier schilderijen van Bosch en vijf olieverfschetsen van Rubens aan de Stichting Museum Boijmans. Hij deed dit pas nadat hij eerst aan dr. Hans Posse, Hitlers ‘Sonderbeauftragter Linz’, op 3 december 1940 een deel daarvan (528 tekeningen, ongeveer 20% van het geheel, inclusief op twee na alle Duitse tekeningen) voor 1.400.000 gulden had doorverkocht. Drie schilderijen van Rubens behield Van Beuningen zelf en liet ze daartoe ophalen bij het museum op 27 juni 1940; in 1958 werden zij met de verzameling Van Beuningen verworven door de stad Rotterdam en keerden ze terug in het museum.

Hans Posse (1879-1942) was directeur van de Staatliche Gemäldegalerie Dresden van 1913 tot 1942 >MEER en had de geheime missie om kunstwerken te verwerven voor het geplande Führer-Museum in Linz. >MEER Van Beuningen was niet persoonlijk betrokken bij de onderhandelingen in de zomer en het najaar van 1940, maar liet dit over aan zijn van oorsprong Duitse schoonzoon Lucas Peterich. De prijsbepaling geschiedde op basis van taxaties van Prof. Max J. Friedländer.[2-2-2.pdf] Frits Lugt schreef hierover in 1956: “Il faut connaître que les experts convoqués par les Allemands ont su protéger les intérets hollandais par leurs appréciations et leurs estimations tres élevées”. >BRON

Deze verkoop van een deel van de tekeningen aan de Duitse bezetter was verboden op basis van nationale wetgeving (wetten A 1 en A 6, E 133 en H 251) en derhalve nietig. >MEER  / [Koenigscat1989voorw.pdf] De transactie was klaarblijkelijk vrijwillig maar op termijn onafwendbaar, omdat de nazi’s de tekeningen, met name die van Duitse meesters, min of meer dwingend wensten voor het Führer-Museum en Van Beuningen het risico liep dat de tekeningen als privé-eigendom zouden worden geconfisceerd zonder financiële vergoeding. Als zakenman koos hij ‘eieren voor zijn geld’. Daar komt bij dat Van Beuningen meer ijzers in het vuur had. Zo had hij een aantal zeer kostbare ‘Vermeers’ (later bleken het vervalsingen van Van Meegeren te zijn) op het oog en hij had vrijwel gelijktijdig met de Collectie Koenigs voor 2.200.000 gulden het schilderij ‘De drie Maria’s aan het graf’ van Jan en Hubertus van Eyck uit de Cook Collectie in Londen aangekocht. >MEER Het schilderij, aangekocht op 30 april 1940, arriveerde vlak voor de Duitse inval in Rotterdam en overleefde het bombardement. Het werd eveneens in 1958 met de Collectie Van Beuningen voor Museum Boijmans verworven.

In het voorjaar van 1941 vond het transport naar Dresden plaats van de door Van Beuningen aan de Duitsers verkochte 528 tekeningen uit de Collectie Koenigs. De vier kisten werden op 5 maart 1941 afgehaald bij Museum Boijmans. [2-2-3.pdf] Op 26 mei 1941 zond Hans Posse een ontvangstbericht vanuit Dresden. [2-2-3.pdf] Na de bezetting door de Sovjet-Russische troepen in 1945 zijn deze kisten met tekeningen samen met de Dresdener museumcollecties als oorlogsbuit naar Moskou getransporteerd. [Curatorium1939-1965.pdf] #6, #7

Volgende: Recuperatie door de Staat van op onwettige wijze verkochte tekeningen (1945-)