Van het Haarlemse Florapark naar het Rotterdamse Museumpark (1935)

Op 6 juli 1935, bij de opening van de nieuwbouw van Museum Boijmans, werd de verwerving in bruikleen van de Collectie Koenigs, in het bijzijn van de verzamelaar en zijn echtgenote, officieel bekend gemaakt. [1-1-2.pdf] In zijn voorwoord van de bij die gelegenheid uitgebrachte catalogus ‘Museum Boijmans Rotterdam. Verzameling F. Koenigs schilderijen’ schrijft directeur dr. Dirk Hannema: “Wat een dergelijke verrijking voor een museum beteekent kunnen slechts zij beoordelen, die deze wereldvermaarde verzameling, die met een zeldzaam begrip voor de aesthetische waarde in den loop der jaren bijeengebracht werd, door en door kennen”. En: “Met wat Boijmans van deze meesters bezit, overtreft het Rotterdamsche Museum alle Nederlandse verzamelingen en kan het wedijveren met de grootste Europeesche collecties”.

De collectie werd in 1935 tegen brandschade en transportschade verzekerd voor in totaal 2.500.000 gulden, waaronder de tekeningen voor 1.800.000 gulden. Deze verzekering werd bijgeschreven op de doorlopende verzekeringspolis voor de museumcollectie. [1-1-9.pdf]

De bruikleenverstrekking zat waarschijnlijk al enige tijd ‘in de pen’. Begin 1933 had het museum al het schilderij ‘Les deux Amies’ van Toulouse-Lautrec in bruikleen ontvangen. [1-1-1.pdf] In de maanden december 1934-januari 1935, voorafgaand aan de sluiting van de oude locatie van het museum op 31 maart, waren in het Schielandhuis twee exposities te zien: ‘Nederlandsche teekeningen uit de 15de, 16de en 17de eeuw. Verzameling F. Koenigs’ en ‘Honderd oude Fransche teekeningen uit de verzameling F. Koenigs’.

L: Het oude Museum Boijmans, 1890
R: Het nieuwe Museum Boijmans en het Museumpark, 1935

Het nieuwe museum werd gevestigd op het landgoed Dijkzigt, in een kleine polder grenzend aan de Westzeedijk, Westersingel en de Mathenesserlaan. Het gebouw was ontworpen door architect ir. A.J. van der Steur in nauw overleg met directeur Hannema. Beide hadden zich goed georiënteerd en in Europa en de Verenigde Staten nieuwe musea bezocht om in Rotterdam een museum te bouwen dat aan alle moderne eisen voldeed.

Er was al rekening gehouden met de komst van de bruikleen van 47 schilderijen en meer dan tweeduizend tekeningen uit de collectie van Koenigs. Het nieuwe museum beschikte over een goed geoutilleerd prentenkabinet, gesitueerd in diverse ruimtes op de begane grond: een depotruimte, een studiezaal (in de bibliotheek) en drie aaneengesloten expositiezalen. Conservator was de kunsthistoricus dr. J.G. van Gelder (zie voorlaatste alinea). Het schilderij De heilige Christoforus van Jheronymus Bosch, een van de bruiklenen van Koenigs, markeerde bij de opening het begin van de chronologische opstelling en ook de Rubenszaal bevatte verschillende werken uit de bruikleen ‘Koenigs’.

In 1935 en 1936 waren er wederom tentoonstellingen van werken uit de Collectie Koenigs in het nieuwe museum. Franse negentiende-eeuwse tekeningen waren van december 1935 tot januari 1936 te zien in de tentoonstelling ‘Teekeningen van Ingres, Delacroix, Gericault, Daumier uit de verzameling Koenigs’. Schilderijen uit het bruikleen maakten deel uit van de grote zomertentoonstelling ‘Jeroen Bosch en de Noord-Nederlandsche Primitieven’ van 1936. Tevens werden verschillende bladen uitgeleend voor exposities in andere musea in binnen- en buitenland. [1-4-2.pdf] Twee belangrijke tekeningen van Dürer en Grünewald verbleven zodoende in New York toen de wereldoorlog uitbrak en kwamen pas in 1947 weer terug. [1-1-14.pdf] /[2-4-1.pdf]

Het prentenkabinet van Museum Boijmans, de expositieruimte (1935-1971), 1947

Koenigs’ jarenlange adviseur dr. Helmuth Lütjens, sinds 12 juni 1923 directeur van de Amsterdamse kunsthandel Paul Cassirer en net als Koenigs van oorsprong Duitser (naturalisatie in 1939), had bij de overdracht in bruikleen een typescript inventarisboek aangeleverd [ill.]. De Duitse kunsthistoricus dr. Ernst Scheyer had voor zijn emigratie naar de VS in 1935 een typescript als aanzet voor een catalogus van de 17de-eeuwse Hollandse tekeningen gemaakt. Deze vormden de basis voor de registratie van de collectie en, samen met de tentoonstellingscatalogi, de inhoudelijke ontsluiting ervan. In jaren 1935-1940 werd door het museum een begin gemaakt met het fotograferen van de collectie op glasnegatieven.

L: Inventarisboek door dr. Helmuth Lütjens, circa 1931-35 - [10SpaanseTekeningen.pdf]
R: Typescript catalogus door dr. Ernst Scheyer, 1935 - [ScheyerKoenigscatNL.pdf]

Direct nadat ze waren overgedragen aan het museum werden de tekeningen voorzien van een verzamelaarsmerk: ‘FK’ in een liggend ovaal (zie ill. volgende pagina). >MEER Dit merk werd onopvallend op elke tekening aangebracht, meestal in de linker onderhoek van de achterzijde. De stempel en het blik met bruine stempelinkt worden nog steeds in het museum bewaard [ill.]. De tekeningen en prenten uit de Tweede Collectie Koenigs (zie hierna) zijn niet gestempeld.

L: Blik bruine stempelinkt en het verzamelaarsstempel van Koenigs
R: Koenigs’ verzamelaarsmerk (L. 1023a)

Uit de correspondentie tussen directeur Hannema en de heer en mevrouw Koenigs, die in het museumarchief is bewaard, komt wederzijds respect en vertrouwen naar voren. De contacten hadden soms ook een meer persoonlijk karakter. Eind 1937 verzocht mevrouw Koenigs om Hannema’s ondersteuning bij de aanvraag voor naturalisatie van het echtpaar Koenigs. [1-1-12.pdf] Dat moest snel worden geregeld in verband met het naderen van de volwassen leeftijd van zoon F.F.R. Koenigs (1918-2000), die het risico liep om voor militaire dienst in Duitsland te worden opgeroepen (minderjarige kinderen werden automatisch mee genaturaliseerd). Op 9 februari 1939 verkregen zij het Nederlandse staatsburgerschap en kwam de Duitse dienstplicht van de zoon te vervallen.

Volgende: De Collectie Koenigs komt in eigendom van de liquiderende bank (1940)