De Collectie Koenigs als zekerstelling voor een banklening (1931-1940)

Op 9 september 1931 droeg Koenigs het grootste deel van zijn tekeningencollectie, ongeveer 2.500 bladen, in fiduciair eigendom (tussen 1929 en 1992 een zakelijk zekerheidsrecht, naast pand en hypotheek) over aan de N.V. Bankierskantoor Lisser & Rosenkranz in Amsterdam, een bank met overwegend joodse grootaandeelhouders, waarvan hij overigens zelf voor ongeveer 2,4% een kleinaandeelhouder was. [E1.pdf] Dit tot zekerheid van terugbetaling van een geldlening van 1.500.000 gulden die diende tot verhoging van het kapitaal van zijn bedrijf. Deze overeenkomst werd vastgelegd in een onderhandse akte van 2 oktober 1931 met een (lagere) leensom van 1.150.000 gulden.

Deze groep tekeningen wordt de Collectie Koenigs genoemd. De verzamelaar droeg niet zijn gehele collectie over aan de bank. Hij behield de schilderijen en een onbekend aantal tekeningen, dat de basis vormde van een volgende verzameling, die hij in stilte aanlegde, de zogenaamde ‘Tweede Collectie Koenigs’ (zie hierna).

Koenigs voelde zich genoodzaakt deze substantiële lening aan te gaan omdat door de mondiaal verslechterde economische omstandigheden zijn zakelijke belangen werden geschaad en zijn bedrijf in financiële problemen was geraakt. De situatie werd acuut in de zomer van 1931 toen de bankencrisis escaleerde, waardoor Duitse banken en bedrijven in de problemen kwamen. Vanaf 1 september 1931 werd het betalingsverkeer bevroren door de Stillhalte of Stillehalte, een overeenkomst tussen internationale banken enerzijds en Duitse anderzijds, waarbij voor een periode van zes maanden (een daarna herhaaldelijk verlengde termijn) uitstel van betaling werd verleend aan Duitse banken en industriële en commerciële firma’s voor wat betreft hun schulden op korte termijn aan buitenlandse banken. Tot die buitenlandse banken behoorde ook Koenigs’ bedrijf, terwijl hij juist in Duitsland zijn meeste zakelijke belangen (geldnemers) had. Tegelijkertijd werd Koenigs, omdat hij Duitser was, in zijn eigen betalingsverplichtingen aan buitenlandse banken beschermd door de Stillehalte (Koenigs’ bank leende zelf van buitenlandse banken voor de kredietverlening aan Duitse bedrijven). Daaraan kwam een eind toen hij in 1939 tot Nederlander werd genaturaliseerd en daarna door Engelse banken tot betaling werd opgeroepen. De situatie waarin Koenigs belandde verdient nader onderzoek door een economisch historicus, als onderdeel van een groter onderzoek naar de handel en wandel van Koenigs en zijn bedrijven in de twee decennia tussen de wereldoorlogen.

Aangezien de wereldeconomie zich niet herstelde, werden de voorwaarden voor de lening strenger. De in 1931 aangegane geldlening en schuldverbintenis (de in fiduciair eigendom overgedragen Collectie Koenigs) werd op 1 juni 1935 in een geregistreerde onderhandse akte herbevestigd en bestendigd, voor de duur van vijf jaar, tenzij de geldgever eerder in liquidatie zou gaan, een uitdrukkelijk gestipuleerde clausule. Het geleende bedrag was door een overgenomen schuld en een valutaomzetting veranderd in 1.375.000 gulden en 17.000 pond sterling. [E2.pdf] Behalve de tekeningencollectie werden nu ook 47 schilderijen door Koenigs in fiduciair eigendom overgedragen aan de bank Lisser & Rosenkranz.

Deze akte werd bijgesteld op 15 juli 1935. [E-3.pdf] Bij aflossing van de schuld zou de bank ten behoeve van Koenigs weer afstand doen van het (fiduciaire) eigendomsrecht, dat daarmee weer bij de verzamelaar zou terugkeren. Tenzij hij de vordering van de bank binnen de gestelde termijn van vijf jaar zou inlossen, kon Koenigs dus geen eigendomsrechten meer doen gelden op de Collectie Koenigs. Voor de buitenwereld was deze constructie niet bekend (een kenmerk van fiduciair eigendom) en leek het naar buiten toe alsof Koenigs de eigenaar was. Daar de Collectie Koenigs niet langer bij de verzamelaar thuis in Haarlem bewaard kon worden, werd een geschikte locatie elders gezocht en gevonden. Dit was Museum Boymans in Rotterdam (sinds 1958 Museum Boymans-van Beuningen, sinds 1996 Museum Boijmans Van Beuningen, kortweg Museum Boijmans). In bruikleen bij Museum Boijmans zou de collectie toegankelijk zijn voor het publiek en zou deze ontsloten kunnen worden. Dat was de wens van de verzamelaar, die het museum al langer kende en onder andere financieel had bijgedragen, samen met D.G. van Beuningen en anderen, aan de aankoop van het beroemde schilderij De verloren zoon van Jheronymus Bosch in 1931, dat sindsdien een van de ‘ikonen’ van het museum is.

Volgende: Van het Haarlemse Florapark naar het Rotterdamse Museumpark (1935)