De Collectie Koenigs: een encyclopedische tekeningenverzameling van formaat

Franz Koenigs, circa 1915-20, geportretteerd door zijn schoonvader Leopold von Kalckreuth

In de jaren twintig van de vorige eeuw bracht de Duitse bankier en zakenman Franz Wilhelm Koenigs (Kierberg/Brühl 1881-1941 Keulen) een omvangrijke verzameling tekeningen van oude meesters bijeen die wereldvermaard is vanwege de hoge kwaliteit van de kunstwerken. Uit eerbied voor de verzamelaar wordt deze verzameling de ‘Collectie Koenigs’ genoemd. De verzamelaar bezat daarnaast ook meer dan 50 schilderijen.

Koenigs, vijfde van zes kinderen van een katholieke Duitse vader en een Luthers- protestantse moeder van Nederlandse afkomst, en sinds 1913 directielid van bank Delbrück Schickler & Co. in Berlijn, was in 1920 mede-oprichter en eigenaar van de Rhodius Koenigs Handel-Maatschappij N.V., die een rol speelde in de kredietverlening aan Duitse bedrijven en derhalve ook als bank werd aangeduid. Dit bedrijf werd in Nederland gevestigd (Keizersgracht 117-121, Amsterdam) om de handelsbeperkingen te kunnen ontlopen die na afloop van de Eerste Wereldoorlog door de geallieerden aan Duitsland waren opgelegd. Vanaf 1921 was Koenigs ook directeur van de bank Delbrück von der Heydt & Co. in Keulen. Hij bekleedde tevens vele commissariaten bij belangrijke bedrijven in binnen- en buitenland, waaronder vanaf 1925 de Hollandsche Buitenland Bank, en beschikte over een wijdvertakt zakennetwerk in de financiële en industriële wereld, met daarnaast familierelaties in de politiek en het leger, in met name Duitsland.

In 1922 kwam ook zijn gezin met vijf jonge kinderen over uit Duitsland (Keulen). Vanaf 1923 woonde de familie Koenigs in een grote villa aan het Florapark (nr. 8) in Haarlem. >BRON

Dankzij het gunstige financiële klimaat en de lage belastingen in de twintiger jaren, alsmede door een sterk zakelijk inzicht, slaagde Koenigs erin om in Nederland een fortuin te vergaren. Begin jaren dertig werd echter ook hij door de wereldwijde economische crisis (als gevolg van de ‘Beurskrach’ van oktober 1929) getroffen, maar hij wist zijn bedrijf succesvol door de crisisjaren te loodsen.

Naast tekeningen verzamelde Koenigs ook enkele tientallen schilderijen van oude en moderne (vooral impressionistische) meesters. Hoewel hij al voor zijn komst naar Nederland kunstwerken had verworven (de eerste impressionistische schilderijen kocht hij tijdens zijn Parijse jaren 1903-1904) is het merendeel van de tekeningencollectie in de jaren 1921-1931 bijeengebracht.

Een belangrijke inspiratiebron voor het verzamelen is zijn oom Felix Koenigs (1846-1900) geweest. Deze bankier, directeur van Delbrück Leo & Co. in Berlijn, heeft een vooraan- staande rol in het culturele leven van de Duitse hoofdstad gespeeld; hij bezat een collectie contemporaine kunst, welke na zijn dood deels werd nagelaten aan de Berliner Nationalgalerie, deels aan de familie. Naar hem werden vernoemd de Koenigssee en de Koenigsallee in een toen nieuwe luxe villawijk in Berlijn. Feitelijk zat de culturele belang- stelling Franz Koenigs in het bloed, want ook zijn moeder Johanna Bunge (1851-1934) was begaafd op het gebied van kunst en muziek. Op 26 april 1914 trouwde Franz Koenigs in Eddelsen/Hittfeld (bij Seevetal onder Hamburg) met Anna (Mucki) von Kalckreuth (1890- 1946), dochter van de Duitse symbolistische kunstenaar Leopold Graf von Kalckreuth (1855-1928). Zij hadden elkaar leren kennen toen Von Kalckreuth in 1910 een portret van mevrouw Koenigs-Bunge schilderde in haar neogotische kasteeltje in Sinzig-am-Rhein (tussen Bonn en Koblenz).

L: Het echtpaar Koenigs, Berlijn ca. 1915
R: Franz Koenigs, Florapark 8, Haarlem ca. 1930

“De wensch te verzamelen had hij al op heel jonge leeftijd, toen kocht hij als jonge man in Parijs de Fransche schilderijen en lithos van Lautrec. Hij vond het zo naar, dat na zijn altijd drukke werktijd de musea en prentenkabinetten steeds gesloten waren, en zoo wilde hij zelf iets hebben, dat hij ook ter alle tijden kon zien”.
(Anna Koenigs-Gräfin von Kalckreuth, 1946)

Koenigs was een gretig en besluitvaardig verzamelaar, die zichzelf een helder doel stelde: hij wilde een encyclopedische verzameling opbouwen die een zo breed en compleet mogelijk overzicht zou geven van de ontwikkeling van de tekenkunst in West-Europa. Zijn verzameling zou in dat opzicht de belangrijkste particuliere collectie in de wereld moeten worden.

Hij was een energiek zakenman en daardoor veel onderweg in het buitenland. Zijn Heimatstad Keulen, waar hij bankdirecteur was, was een regelmatig terugkerend reisdoel en het bankkantoor diende tevens als een contactadres en tijdelijke bewaarplaats voor kunstaankopen. Ook na zijn verhuizing naar Haarlem kwam hij zeer regelmatig in Keulen. In maart 1931 bracht hij enige tijd ziek in een Keuls sanatorium door. Hij kwam tijdens bezoeken aan de Europese hoofdsteden, vooral Berlijn, Parijs, Londen, Madrid en Wenen, en ook in New York makkelijk in contact met handelaren, die hem zelfs in zijn hotel hun tekeningenaanbod toonden. Kunsthandelaren uit binnen- en buitenland wisten hem ook op afstand te vinden en boden hem schriftelijk tekeningen en schilderijen te koop aan. Ondanks de grote aantallen tekeningen die hij kocht, was Koenigs selectief in zijn keuze uit wat hem werd voorgelegd.

Hij kocht vaak grote aantallen tekeningen op de belangrijke veilingen van de jaren twintig. Daarin werd hij bijgestaan door medewerkers van de Amsterdamse kunsthandel Paul Cassirer en door andere kunsthandelaren zoals mr. Nicolaas (Nic) Beets (1878-1963, kleinzoon van de bekende schrijver en dichter), die voor hem biedingen verrichtten tegen door hem opgegeven limieten. Beets bemiddelde ook bij de bruikleenverstrekking van maar liefst 119 tekeningen (van de 261 geëxposeerde kunstwerken, dus bijna de helft) aan de belangrijke tentoonstelling van Italiaanse kunst in Nederlands bezit in het Stedelijk Museum te Amsterdam in 1934. Ook met de bekende verzamelaar F.J. (Frits) Lugt (1884-1970) in Maartensdijk (later Den Haag) had Koenigs gedurende vele jaren regelmatig contact, ter afstemming voor het bieden op veilingen, en voor onderlinge koop en ruil van tekeningen en schilderijen. In het buitenland kocht hij veel van kunsthandelaar Gustav Nebehay in Leipzig, later in Wenen. Door zijn drukke werkzaamheden woonde Koenigs slechts bij hoge uitzondering, en wanneer de gelegenheid zich voordeed, persoonlijk een veiling bij.

‘Jetzt weiβ ich warum Sie neulich in Berlin waren! Besten Grüβ Huldschinsky’. Franz Koenigs zit midden in de zaal (tweede rij, rechts achter de man met bril) tijdens de veiling Huldschinsky bij Cassirer & Helbing in Berlijn op 10 en 11 mei 1928 (krantenknipsel met onderschrift van de verzamelaar Oscar Huldschinsky)

Daarnaast maakte Koenigs gebruik van de gunstige omstandigheden in de kunsthandel en het verzamelaarswezen, waarbij hij zijn goede contacten in met name Duitsland optimaal benutte. Bij het uiteenvallen van de groothertogelijke verzamelingen te Weimar (1923) verwierf hij de belangrijkste tekeningen en de twee beroemde Gabburri-albums met 401 tekeningen van Fra Bartolommeo. In 1929 kocht hij en bloc de privéverzameling van Julius Böhler in Luzern, een Duitse kunsthandelaar waarmee hij al vanaf het begin van de jaren twintig zaken deed. Tot die groep van 238 tekeningen behoorden verschillende bladen van Rembrandt en Giambattista Tiepolo. Voor deze kunstenaars had Koenigs een voorkeur.

Interieur Florapark 8, Haarlem. In de kasten werden de tekeningendozen bewaard

Franz Koenigs zorgde goed voor zijn verzameling. Zijn kapitale woning in Haarlem liet hij in 1926 uitbreiden met een vleugel om de gestaag groeiende collectie in onder te brengen. Ook werd veel zorg besteed aan het verantwoord bewaren van de tekeningen. Zijn vrouw zorgde voor de passepartouts en de dozen [ill.].  [WOKlezing17jan09.pdf] De laatste werden opgeborgen in houten kasten [ill.]. Regelmatig kwam er bezoek aan huis om de collectie te bezichtigen; bij zijn afwezigheid werden bezoekers ontvangen door zijn vrouw en zijn oudste dochter.

Originele zwarte tekeningendozen van Franz Koenigs met rode naamlabels 

De tekeningen werden gerangschikt op scholen (Nederlands, Hollands, Vlaams, Duits I en Duits II, Frans I en Frans II, Italiaans, Engels, Spaans) en daarbinnen alfabetisch op kunstenaar. De Duitse en Franse tekeningen werden onderverdeeld in eeuwen, respectievelijk voor/na 1600 en voor/na 1800. Voor tekeningen van Rembrandt en diens leerlingen werd een aparte rubriek gecreëerd. Binnen elke rubriek werden de tekeningen doorgenummerd en summier beschreven in een inventaris. Koenigs zelf hield zich hiermee niet bezig; dat werk werd gedaan door zijn adviseurs van kunsthandel Cassirer, dr. Helmuth Lütjens en Walter Feilchenfeldt. De eerste verwijzing naar dergelijke inventarisnummers (D I 11, 18 en 41) dateert uit 1927.

De Collectie Koenigs was al snel internationaal vermaard. De verzamelaar Frits Lugt, met wie Koenigs regelmatig contact had, schreef hierover: “rarement une réunion aussi choisie a été constituée en si peu de temps, une dizaine d’années”. >BRON. In 1930 en 1933 verschenen onder redactie van de bekende Duitse kunsthistoricus Prof.dr. Max J. Friedländer, directeur van het Kupferstich-Kabinett in Berlin, twee grote luxueuze facsimile- delen ‘Meisterzeichnungen aus der Sammlung Franz Koenigs, Haarlem’, met elk 21 hoogwaardige reproducties van respectievelijk Franse en Venetiaanse tekeningen, uitgegeven bij Prestel-Verlag in Frankfurt.

Een selectie van hoogtepunten uit de Collectie Koenigs


L: Albrecht Dürer, inv. D I 19
M: Leonardo da Vinci, inv. I 466
R: Rembrandt, inv. R 10

L: Lucas van Leyden, inv. N 13
M: Claude Lorrain, inv. F I 120
R: Cézanne, inv. F II 149

L: Rubens, inv. V 81
M: Gainsborough, inv. E 5
R: Goya, inv. S 16

 

Volgende: De Collectie Koenigs als zekerstelling voor een banklening (1931-1940)