Zeven stukken majolica uit de voormalige collectie Pringsheim Inv. A 3582, A 3602, A 3619, A 3638, A 3648, A 3649, A 3653

De Collectie Pringsheim De Collectie Pringsheim De Collectie Pringsheim De Collectie Pringsheim De Collectie Pringsheim De Collectie Pringsheim

In 2008 ontving de Stichting tot beheer Museum Boijmans Van Beuningen een brief uit naam van de erven van de Duitse verzamelaar Prof. Dr. Alfred Pringsheim (1850-1941), eigenaar van een vermaarde collectie Italiaanse majolica waaruit in 1941 zeven objecten werden verworven door de verzamelaar J.N. Bastert die zich thans in Museum Boijmans Van Beuningen bevinden.

De erven verzoeken de eigenaar van de objecten, de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen, om teruggave van de majolica. Het museum heeft voorgesteld de kwestie gezamenlijk voor te leggen aan de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog met het verzoek om een bindend advies. Het museum is thans in afwachting van een reactie van de erven. Daarnaast stelt het museum een eigen onderzoek in naar de geschiedenis van de verzameling.

Alfred Pringsheim was een bekend wiskundig hoogleraar. Hij was werkzaam aan de Ludwig-Maximilian universiteit in München en stond in zijn vakgebied in hoog aanzien. Van zijn vader erfde hij een groot fortuin, dat hij had verdiend in de kool- en spoorwegindustrie, waardoor Pringsheim zich ontplooide tot een belangrijk mecenas. Samen met zijn vrouw, Hedwig Dohm, dochter van een journalist en een vooraanstaande feministe, ontvingen de Pringsheims vele gasten uit de culturele bovenlaag van de Beierse en Münchense bevolking in het voor hen gebouwde ‘paleis’ aan de Narcisstraße. Thomas Mann was een graag geziene gast. Hij trouwde met de dochter van Pringsheim, Katia. Het echtpaar kreeg vijf kinderen.

Pringsheim was een collectioneur op vele gebieden. Vooral zijn verzameling majolica en zijn collectie van zilveren en vergulde objecten genoten internationale bekendheid. De majolica collectie werd door Otto Falke, directeur van het Berlijnse Schloßmuseum, beschreven in een toonaangevende wetenschappelijke tweedelige catalogus.

Het echtpaar Pringsheim was joods (niet-praktiserend). In 1933 werden Alfred en Hedwig Pringsheim gedwongen hun huis te verkopen aan het Nationalsozialistischer Deutscher Arbeitersverein en moesten zij verhuizen. Al vanaf 1912 besloeg de collectie van de Pringsheims een groot deel van hun vermogen, iets waarop zij door de ongunstige verkoop van hun huis en de nadelige positie waarin ze verkeerden, behoorlijk moesten interen.

Vanaf 1933 werden pogingen ondernomen delen van de verzameling, waaronder de majolica te verkopen. Vanaf 1936 werd dit volledig onmogelijk: de majolica collectie kwam op een lijst van nationaal erfgoed en mocht niet worden geëxporteerd. In 1937 werden hen hun paspoorten afgenomen, waardoor een vlucht naar Zwitserland (op aandringen van Katia en Thomas Mann) onmogelijk was. 21 november 1938 werd een groot deel van hun collectie in beslag genomen door de Gestapo, waaronder het zilver en de schilderijen. Uiteindelijk kreeg het echtpaar toestemming de collectie in het buitenland te veilen, op voorwaarde dat een aantal stukken uit deze collectie samen met twee zilveren bekers van Ludwig Krug zou worden ‘geschonken’ aan de staat. De veiling vond plaats in juni en juli 1939 bij Sotheby’s in Londen. Een groot deel van de (lage) veilingopbrengst moest worden overgemaakt naar de staat, het resterende bedrag gebruikten Alfred en Hedwig Pringsheim voor hun emigratie naar Zwitserland.

Tijdens de veiling in London bij Sotheby’s op 7-8 juni en 19-20 juli 1939 werd een aantal majolica objecten aangekocht door Hein Hamer voor Jaap Bastert (1891-1976) en zijn vrouw Iet van Schaardenburg (1894-1985). Over de verzamelaar J.N. Bastert publiceerde dr. Mienke Simon Thomas, senior conservator toegepaste kunst bij Museum Boijmans Van Beuningen een artikel in de uitgave 150 jaar Museum Boijmans Van Beuningen (Rotterdam 1999).

In 1940 organiseerde museum Boijmans een tentoonstelling van de collectie Bastert-van Schaardenburg: Oud-aardewerk van 1250 tot 1650. Tentoonstelling van oud- aardewerk uit de verzameling Bastert-van Schaardenburg. In datzelfde jaar, op 1 mei 1940 werd Bastert aangesteld als conservator bij het museum. Die zomer werd onderhandeld over de aankoop van de collectie Bastert-van Schaardenburg, waaronder Pringsheim majolica.

In 1941 kon deze collectie worden aangekocht met gelden van de Stichting Administratiefonds Rotterdam (nauw verbonden aan de Stichting Bevordering van Volkskracht), de Erasmusstichting, de Vereniging Rembrandt en de schoonvader van Bastert. De collectie werd in 1942 langdurig in bruikleen gegeven aan de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen en werd in 1948 aangekocht door de Gemeente Rotterdam.

Het echtpaar Pringsheim overleed in ballingschap: Alfred op 25 juni 1941, Hedwig op 27 juli 1942. Na de Tweede Wereldoorlog is alsnog de volledige veilingopbrengst uitbetaald en zijn de door de nazi’s in beslaggenomen objecten (edelmetaal en andere voorwerpen) teruggegeven aan de erven Pringsheim. Daarbij ontstonden problemen over de uitvoer uit Duitsland van deze objecten. Deze werden uiteindelijk, na verkoop van de zogenoemde Holbein-bokaal aan het Bayerisches Nationalmuseum, in 1953 opgelost.