Nieuwsbrief
Erasmus in beeld 2008
Erasmus in beeld 2008

Voorpublicatie catalogus

Exclusief voor de lezers van de nieuwsbrief hier een voorpublicatie van de catalogus bij Erasmus in beeld. Twee fragmenten van hoofdstuk I door samensteller van de tentoonstelling conservator Dr. Peter van der Coelen geven inzicht in de portretten van Erasmus.

Cover catalogus
Cover catalogus

Portretten van Erasmus
Tot de vroegste beeltenissen die we van Erasmus kennen, behoren zijn zelfportretten, of beter gezegd: zelfkarikaturen. Ze zijn te vinden in een handschrift van rond 1515 met aantekeningen over de brieven van de kerk vader Hieronymus. Het zijn amusante penkrabbels, die fungeren als verwijstekens in de tekst. Zelfspot was de auteur van de Lof der Zotheid niet vreemd. Hij heeft zijn neus buitenproportioneel groot weergegeven, zoals dat hoort in een karikatuur. Dit soort humor ontbreekt ten enenmale in de ‘officiële’ Erasmus portretten, waar de inderdaad forse neus altijd in evenwicht wordt gehouden door een grote baret. Uit alles blijkt dat de geleerde er goed over heeft nagedacht hoe hij zich aan de wereld wilde laten zien.

In de laatste twintig jaar van zijn leven is Erasmus geportretteerd door enkele van de bekwaamste schilders van zijn tijd. Het eerste portret ‘naar het leven’ ontstond in 1517, toen hij al vijftig was; het laatste werd ‘naar de dood’ gemaakt in 1536 toen hij op zijn sterfbed lag. In deze periode, maar ook nog lang daarna, zijn bovendien tal van kopieën en navolgingen geschilderd. De sublieme portretten van de hand van Quinten Massys, Hans Holbein en Albrecht Dürer bepalen het beeld dat we van Erasmus hebben in belangrijke mate. We bekijken hem als het ware door de ogen van de kunstenaars, vooral die van Holbein, die voor veruit de meeste portretten van de geleerde tekende.

Van Karel V zijn beslist meer portretten geschilderd, eveneens door grote kunstenaars, zoals Bernard van Orley, Lucas Cranach, Parmigianino en Titiaan. Wanneer we de vorsten echter buiten beschouwing laten, behoort Erasmus tot de best geportretteerde personen van zijn tijd. Ook Maarten Luther is veelvuldig uitgebeeld, maar zijn portretten werden zonder uitzondering gemaakt door één kunstenaar, zijn plaatsgenoot Lucas Cranach. Erasmusportretten werden op meer dan één plaats vervaardigd, in Antwerpen, Neurenberg en Bazel. Bij de keuze van zijn portrettisten beperkte de humanist zich tot de absolute top. In Engeland, Leuven en Freiburg, waar hij langere tijd woonde, kwamen daarom geen portretten tot stand. Toch is er naast deze rijkdom ook een zekere eenzijdigheid in dit portretensemble. Anders dan bij Luther, van wie er portretten zijn uit bijna heel zijn loopbaan, kennen we het gezicht van Erasmus alleen als vijftig plusser.

Herinnering, bewondering, verguizing
In een brief aan zijn mecenas William Warham refereert Erasmus in 1516 aan de gewoonte in de oudheid om ‘overal in zalen en bibliotheken beelden en portretten van schrijvers [te] plaatsen om ze [....] te redden van de vergetelheid’. Toen hij Warham acht jaar later zijn Portret met de renaissance-pilaster stuurde, presenteerde hij het als een aandenken voor wanneer hij er zelf niet meer zou zijn. Om dezelfde reden had hij in 1517 al de diptiek van hemzelf en Pieter Gillis aan Thomas More geschonken. Memorie is de primaire motivatie voor portretten. Bij afwezigheid blijven vrienden zo altijd in het zicht, na overlijden verdwijnen ze niet in de vergetelheid.

Hoe Erasmus zelf met portretten omging, leren we uit enkele brieven aan zijn vriend Pirckheimer, die hem eerst een portretpenning had doen toekomen en kort daarna zijn door Dürer gegraveerde beeltenis. Erasmus hing beide op in zijn slaapkamer, de penning aan de rechter- en de prent aan de linkerwand. Zo heeft hij Pirckheimer altijd onder ogen, naar welke kant hij ook kijkt, of hij nu aan het schrijven is of aan het rondlopen. Het portret blijkt bovendien geregeld een aanleiding om met vrienden een gesprek over Pirckheimer te beginnen. Erasmus zou Erasmus niet zijn als hij er niet bij vermeld had dat hij eigenlijk geen portretten nodig had om zich zijn vriend te herinneren. Toen een bewonderaar hem schreef dat hij elke keer bij het zien van de portretpenning van Erasmus zijn genegenheid voelde groeien, zal hij zich gevleid hebben gevoeld, maar misschien ook een wenkbrauw hebben opgetrokken.

Elders bespot hij het gebruik, zeker wanneer het gaat om overdreven bewondering. De ciceroniaan gaat over iemand die zijn hele huis heeft gedecoreerd met portretten van Cicero – de huiskamer, de studeerkamer en alle deuren. Bovendien draagt hij altijd een medaillon met zich mee waarin eveneens zo’n portret is gegraveerd. Een dergelijke bewondering had Erasmus tot op zekere hoogte ook zelf ondervonden. In 1531 schrijft hij begrepen te hebben ‘dat er mensen zijn die het bronzen portret van Erasmus hartelijk kussen en bij wie de liefde voor de studie ontbrandt door de aanblik ervan’. Als contrast vertelt hij de anekdote van een kanunnik uit Konstanz, die zijn ‘op papier gedrukte portret’ – vermoedelijk de gravure van Dürer – heeft opgehangen in zijn slaapkamer, ‘louter en alleen omdat het hem plezier doet daar telkens op te spuwen als hij het, al heen en weer lopend, passeert’.

Een ander voorbeeld van verguizing uit zich in de behandeling die de portretten in een exemplaar van de Cosmographia universalis van Sebastian Münster ondervonden. De persoon die de verminkingen aanbracht – de blindgemaakte ogen, de gesnoerde mond en de tralie-achtige krassen – moet wel een enorm hekel aan Erasmus hebben gehad. Diametraal tegenover een dergelijke ‘damnatio memoriae’ staat de eer die Erasmus vanaf het midden van de zestiende eeuw in zijn geboortestad te beurt viel. De Rotterdamse trots was zo gegroeid dat een geschilderd portret in het stadhuis niet meer volstond. De verering voor de voormalige stads genoot kreeg ook in de buitenlucht gestalte, toen in 1549 ter gelegenheid van het bezoek van prins Filips een houten beeld van Erasmus werd gemaakt. Op de gevel van het geboortehuis van Erasmus, dat al kort na zijn dood een toeristische attractie was geworden, werd later eveneens een beeldje aangebracht. Het eenvoudige stenen portret lijkt een verre echo van de Erasmus ‘im Gehäus’, waarbij de Terminus vervangen is door een cartouche met daarop plaats en datum van geboorte en sterven. Vanaf 1557 stond er min of meer permanent een beeld van Erasmus op de Markt, in diverse versies in steen of hout. De definitieve versie van dit Rotterdamse ereteken kon in 1622 worden ingewijd: het imposante standbeeld van Hendrick de Keyser. Zo kwam Erasmus zelf ‘in brons op het plein te staan’, een gebruik dat hij ruim honderd jaar daarvoor in de Lof der Zotheid op de korrel had genomen.

Fragmenten uit Hoofdstuk I van de catalogus door Peter van der Coelen.

Erasmus in beeld
Auteurs: Peter van der Coelen, Marjolijn Bol, Alexandra Gaba-van Dongen, Christian Rümelin, Hans Trapman
Vormgeving: Tessa van der Waals
Uitgave: Museum Boijmans Van Beuningen
Formaat: 29 x 21,5 cm
Omvang: 296 p.
Nederlands
Rijk geïllustreerd
Prijs: 37,50 euro
ISBN 978-90-6918-233-9
Deze catalogus is ook in het Engels
Verschenen:
ISBN 978-90-6918-234-6

Terug