Nieuwsbrief
Vooral geen principes! Charley Toorop
Charley Toorop 2008

De conservator vertelt

Na jaren voorbereiding stelt gastconservator Marja Bosma voor het museum de tentoonstelling 'Vooral geen principes!' samen. Ze verdiept zich al 25 jaar in het oeuvre van Charley Toorop en promoveert binnenkort op dit onderwerp. Ook is Marja Bosma auteur van de gelijknamige catalogus die bij de tentoonstelling verschijnt. In deze nieuwsbrief kunt u alvast haar inleiding lezen.

Vrouwen, 1931-1932, collectie Van Abbemuseum, Eindhoven
Vrouwen, 1931-1932, collectie Van Abbemuseum, Eindhoven

Laat een kunstenaar zich in zijn zelfportretten kennen? Het lijkt voor de hand te liggen, maar die veronderstelling wordt sinds twee decennia door Philip Akkerman (1957) gelogenstraft: zijn thema is uitsluitend het zelfportret, dat hij in verschillende stijlen en schilderkunstige media uitvoert. Met zijn portretten verkent hij de geschiedenis van de schilderkunst. Vaak refereert hij aan oude meesters maar soms duikt ook een twintigste-eeuwse schilder in zijn werk op: Max Beckmann of Charley Toorop. Zijn bewering is wellicht samen te vatten als: zelfportretten zijn schilderijen en verhouden zich als zodanig meer met de traditie van de schilderkunst dan met het onderwerp van schildering.
Akkerman werd twee jaar na de dood van Charley Toorop (1891-1955) geboren; ondergetekende een jaar na haar overlijden. Voordat ik begin jaren tachtig via de studie kunstgeschiedenis in aanraking met haar werk kwam, had ik nog nooit van haar gehoord. Het was de werkgroep ‘Feministische kunst en kunstgeschiedenis’ – tegenwoordig zou men het genderstudies noemen – die leidde tot de eerste kennismaking met Toorops werk. Ik herinner me nog goed dat me dat niet meeviel. Wat een zwaar en nadrukkelijk werk! Er sprak een mentaliteit uit waarvan ik voelde dat die hevig met de mijne conflicteerde. De schilderijen waren confronterend direct en glashard, terwijl ik op dat moment nog steeds niet helemaal over mijn angehauchte hippiedom heen was. Het dreigende conflict maakte Toorops werk echter ook juist interessant: het was alsof de kunstenares ertoe uitdaagde dat ik mezelf zou uitspreken.
Ik kon aan de overzichtstentoonstelling van Toorops oeuvre meewerken die in 1982 in het Centraal Museum te Utrecht en in de Württembergischer Kunstverein te Stuttgart gehouden werd. Uit de allerlaatste zin van de tekst die ik schreef voor de catalogus, blijkt dat ik me uiteindelijk voor Toorop gewonnen had gegeven, met de volgende – deels persoonlijke – motivatie:
‘Charley Toorop liet de mensen, de dingen, het leven zien van een vitale kant: ze schiep een mogelijkheid, een zienswijze om de realiteit te beheersen, een opening om je niet te laten overheersen maar om je eigen lot te vormen.’

Twintig jaar later, ouder, meer ervaren en ook wat wijzer, werd ik door het Prins Bernhard Cultuurfonds uitgenodigd om een monografie over Charley Toorop te schrijven. Dat ging uiteindelijk niet door, maar het was wél de aanleiding om het oeuvre van de kunstenares opnieuw te onderzoeken. Prof.dr. Carel Blotkamp, inmiddels emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis van de Vrije Universiteit, stimuleerde me om er een proefschrift aan te wijden. Sjarel Ex, toen nog directeur van het Centraal Museum te Utrecht (waar ik als conservator tot op heden aan verbonden ben), gaf me de ruimte om dat project uit te voeren. De Stichting Nederlands Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) verschafte me een beurs om me een jaar van mijn baan vrij te stellen.
Tijdens het onderzoeksproces heb ik me terughoudend opgesteld tegenover Charley Toorop als persoon. Al tijdens haar leven was er een bepaald beeld van haar ontstaan en in de halve eeuw na haar overlijden kregen de anekdotes over haar gedrag, haar levensstijl en de minnaars een haast mythisch karakter, waarin de kunstenares naar voren trad als een dwingende en eigengereide persoonlijkheid, een onnavolgbare en ondoorgrondelijke godin. Dat beeld wilde ik links laten liggen. Door me op het schilderkunstig oeuvre te concentreren, wilde ik kijken hoe Charley Toorop zich ’door de tijd bewoog’: hoe zij zich verhield tot haar tijdgenoten en welke opvattingen en visie zij in de loop der tijd ontwikkelde. Het ging me niet om haar individu maar om wat haar werk betekende in de context van haar tijd.

De visie die uit haar werk spreekt, is onontkoombaar – én zeer eigen en persoonlijk. Het zijn niet zozeer de zelfportretten, want die laten maar weinig los over haar zelfbeeld. Het is het hele oeuvre dat als een zelfportret fungeert: krachtig, fascinerend en vitaal tot op de dag van vandaag. Dat betekent ook, dat het werk haarzelf reflecteert. Ik besloot in deze catalogus haar levensloop centraal te stellen, als spiegelbeeldig perspectief van de benadering die ik voor het nog te voltooien proefschrift beoog.

Charley Toorop was, zoals ieder mens, niet eendimensionaal. Haar persoonlijkheid kende meerdere kanten, van egocentrisch hard en dwingend tot poëtisch, spiritueel en reflexief. Ze was een typisch enig kind dat tamelijk geïsoleerd opgroeide; tegenover anderen bewaarde ze een zekere afstand en ze koesterde het op zichzelf zijn. Van huis uit had ze alles mee, met een vader die in zijn tijd als een van de grootste Nederlandse kunstenaars gezien werd, en een moeder die op de achtergrond toch ook een spirituele kracht moet zijn geweest. Ze was verknocht aan haar vader maar had, zoals veel dochters, problemen met haar moeder. Qua karakter leek ze echter het meest op haar moeder: hartelijk maar afstandelijk, wilskrachtig en met een stiff upper lip. Charley kreeg een opvoeding waarin ze werd aangemoedigd haar talenten te ontwikkelen. Maar het was haar eigen prestatie om een oeuvre te schilderen waarin ze haar persoonlijke visie op haar eigen tijd uitdrukte. Dat maakt haar werk imposant.

Marja Bosma

Terug