Rietveld Collectie online door het Centraal Museum

Ik ben net de tweede blogpost over de online collectie aan het schrijven,
en nu hoor ik dat het Centraal Museum haar Rietveld collectie online heeft staan.
Gelijk gaan kijken dus:

picture-5

Een mooie collectie en een slimme site.
Je kunt er zoeken door objecten EN door archief stukken!

Wat betreft de site was ik vooral geharmeerd door:
De visuele zoekvoorbeelden op de homepage

picture-6

En de sets, met de duidelijke voorbeelden van het Centraal Museum zelf.

picture-7

Gebouwd door Humanique die er dit filmpje over maakten:

‘Kees was hier’ in de Kunst Studio

De dwaze jaren 20, de tijd waarin Kees van Dongen op het toppunt van zijn roem was, leek ons een mooie leidraad voor een verdiepingstentoonstelling bij ‘De grote ogen van Kees van Dongen’ in de Kunst Studio.  In de tentoonstelling ‘De grote ogen van Kees van Dongen’ is zijn werk zelf te zien. In de Kunst Studio wilden we juist aandacht vestigen op de tijd waarin hij leefde. Het tijdvak biedt uitzicht op aansprekende thema’s als technische en wetenschappelijke innovatie, het beeld van de vrouw, muziek, mode, beroemdheden en tijdgenoten vertegenwoordigd in de museumcollectie.

Een scherm met beelden uit de jaren 20

KunstStudio
De tentoonstellingen in de Kunst Studio lopen vaak parallel aan de lopende tentoonstellingen in de rest van het museum, maar ze mogen er niet mee dubbelen. Daarnaast zijn de omstandigheden niet altijd optimaal: schilderijen of tekeningen kunnen niet goed genoeg beschermd worden tegen het felle licht en ze mogen niet onbeschermd in de ruimte staan omdat de Kunst Studio deel is van het gratis entreegebied van het museum. Voor de tentoonstelling ‘Kees was hier’ hebben we dus creatieve oplossingen bedacht om toch bijzondere objecten te kunnen laten zien. Dat is immers waar de meeste mensen voor naar het museum komen: authenticiteit en een beleving daarvan.

Grafisch en ruimtelijk ontwerp
De vormgeving van tentoonstellingen wordt steeds aan een ander ontwerpbureau overgelaten. Voor ‘Kees was hier’ kozen we voor het Haagse ontwerpcollectief  Trapped in Suburbia. Zij bedachten de titel ‘Kees was hier’ en het vormgevingsconcept waarin de bezoeker het idee zou moeten krijgen een ruimte binnen te zijn gelopen waaruit Kees van Dongen net vertrokken is. De ruimte heeft de sfeer van die tijd, niet in de laatste plaats door de opvallende grafische decoratie van slanke vrouwensilhouetten in de typische mode van die tijd. Daarnaast hebben ze het thema van elke vitrine in een hedendaagse grafische vorm gegoten. Het resultaat is eigentijds, maar ademt toch ook de sfeer van de ‘roaring twenties’

Een koffergrammofoon

Een camera met statief uit de jaren 20

Een camera met statief uit de jaren 20

Getoond zijn enkele collectiestukken, waaronder een koffergrammofoon uit 1929, een fototoestel met statief, illustraties die Kees van Dongen maakte voor tijdschriften en een gids bij de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900. Ook is speciaal voor de tentoonstelling een jurk gemaakt naar ontwerp van Paul Poiret: één van de societyfiguren uit de omgeving van Van Dongen. Daarnaast is een selectie van videobeelden uit de Dwaze jaren getoond voor in de  vitrines en in het filmhuisje.

Verdiept in een boek of film
Twee weken voor de opening van ‘De grote ogen van Kees van Dongen’ kon in de KunstStudio de tentoonstelling ‘Kees was hier’ al bezocht worden. Op de grote seizoensopening op 18 september hebben de ontwerpers van Trapped in Suburbia voor het publiek een toelichting gegeven op het ontwerpproces. Voor de gehele duur van De grote ogen van Kees van Dongen maakt Kees was hier deel uit van Museum Boijmans Van Beuningen.

In een van de vitrines kunnen bezoekers rustig boeken over de jaren 20 raadplegen

In een van de vitrines kunnen bezoekers rustig boeken over de jaren 20 raadplegen

Een ruimte als de Kunst Studio, waar de mogelijkheid bestaat tot zelfstudie en verdieping, is een bijzondere plaats. Ik heb menig bezoeker er lange tijd zien zitten, verdiept in een boek of een film. Blijkbaar bestaat er een behoefte aan achtergronden. De Kunst Studio is dan een laagdrempelig alternatief voor de museumbibliotheek, die immers ook vrij toegankelijk en te raadplegen is.

Milou van Oene
Stagiaire publieksbegeleiding

Video’s op het web versus in de museumzaal

Vanaf het begin hebben we met ArtTube beoogd zoveel mogelijk crossmediaal te werken. Een video die voor een tentoonstelling werd geproduceerd, zou ook op ArtTube getoond moeten worden en andersom. Bovendien zouden de videobeelden ook weer kunnen worden hergebruikt voor in multimediatours. Inmiddels hebben we dit crossmediaal werken aardig in de vingers, maar stuiten we af en toe ook op problemen.

Video als informatiebron
Een van de redenen om het online videokanaal ArtTube te starten was omdat er voor informatieve video’s veel belangstelling bestaat bij museumbezoekers. Zodra je een informatieve video laat zien in de museumzaal staan er mensen voor stil. Zet je een bankje voor het scherm dan zit die vol, en richt je er een zaaltje voor in dan is die óók zo gevuld.
Nu ArtTube inmiddels zo’n 12.000 bezoekers per maand trekt is onze veronderstelling nog eens bevestigd: video is een goed middel om informatie over te brengen.

Video in de museumzaal
Een video in de museumzaal is vaak bedoeld als aanvulling of inleiding op een tentoonstelling. De video brengt dingen in beeld die in de tentoonstelling niet te zien zijn, bijvoorbeeld de historische context of het onderzoek dat aan de tentoonstelling vooraf is gegaan, of de kunstenaar die over zijn werk vertelt. Voor een film op zaal is altijd een eis: de film moet niet simpelweg reproduceren wat ook in de zalen is te zien, maar daar een zinnige aanvulling op zijn.
De manier waarop de video gepresenteerd wordt is belangrijk. Duurt deze langer dan 1 minuut, dan is zitgelegenheid van belang. In een ideale situatie is er een apart filmzaaltje ingericht, zoals nu het geval is in de tentoonstelling ‘De grote ogen van Kees van Dongen’. Dat geeft mensen de mogelijkheid zich te concentreren op het verhaal, en tegelijkertijd lichamelijk even uit te rusten van hun rondgang door de zalen. De duur van de video kan dan variëren tot zo’n 15-20 minuten.

Video op ArtTube
Voor een video die op ArtTube wordt getoond ontbreekt de context van de tentoonstelling. Daarom kan het bezwaarlijk zijn als de werken van de betreffende kunstenaar niet in beeld zijn gebracht, terwijl dat bij een video die in een tentoonstelling is te zien niet nodig is. Er is simpelweg meer informatie nodig in zo’n video. Op ArtTube wordt dat deels opgelost door de notes, de informatie

Notes in ArtTube

die in de kantlijn van de videoplayer wordt aangeboden.

Notes in ArtTube

Daarnaast is het kijkgedrag op internet aanzienlijk anders dan in een museumzaal. Mensen op YouTube schijnen gemiddeld zo’n 4 minuten te kijken naar een video, terwijl dat op ArtTube varieert van 4 tot ruim 6 minuten. Ook al ligt de aandachtsspanne van een ArtTube video dus hoger dan gemiddeld, een gemiddelde zaalvideo is dus al snel te lang voor internet.

Video in een multimediatour
Voor een video in de multimediatour gelden heldere richtlijnen. Ten eerste mag een video niet te lang zijn, dan wordt het bestand te zwaar om op de spelers (in ons geval de XP Vision spelers van Antenna) af te kunnen spelen. De video’s mogen maximaal 3 minuten duren.
Ten tweede zijn voor een multimediatour doorgaans alleen de video’s relevant die specifiek over één kunstwerk gaan. De bezoeker staat immers op het moment dat hij de video kijkt recht voor het betreffende kunstwerk en verwacht daarover informatie.
Ten derde is het scherm van de multimediaspeler klein, en kunnen details nooit helder uitgelicht worden.
Ten vierde is de multimediaspeler bedoeld om de bezoeker uit te dagen beter te kijken naar het werk zelf. Het gevaar dreigt altijd dat deze meer met het apparaat in zijn handen bezig is dan met de kunstwerken waarover het gaat.

De oplossing is dus heldere korte video’s te laten zien, die gaan over het werk.

Een video in de multimediatour

Een video in de multimediatour

In praktijk zijn dat vaak ‘videorondleidingen’ waarin de conservator / kunstenaar aan het woord is. Als een talking head is hij of zij in beeld gebracht en vertelt over het kunstwerk. Daarnaast worden op de tour vaak korte filmfragmenten van bijvoorbeeld archiefbeelden gecombineerd met de ingesproken tekst. Op die manier wordt het kunstwerk voorzien van een historische context.  Qua vorm zijn deze video’s eigenlijk relatief saai, het gaat immers om de kunstwerken.

Crossmediaal?
We hebben inmiddels aardig wat voorbeelden van crossmediaal werken:
- de video ‘De grote ogen van Kees van Dongen’ is gemaakt voor in de tentoonstelling. De 30 stoelen die daarvoor in een speciale filmruimte zijn geplaatst zijn vrijwel permanent bezet. Maar om deze ook voor ArtTube geschikt te maken is de video bewust kort gehouden (7:30 minuten). Op ArtTube is het momenteel een van de best bekeken video’s.
- de video waarin Sjarel Ex vertelt over Max Beckman is oorspronkelijk gemaakt voor de multimediatour. In totaal zijn daarin acht korte video’s opgenomen van conservatoren die vertellen over een van hun favoriete werken. Enkele daarvan zijn ook op ArtTube geplaatst. Een tweede reeks is inmiddels in de maak.
- De video ‘De valse Vermeers van Vanmeegeren’ is oorspronkelijk gemaakt als ArtTube video (onderdeel van de serie Tijdreizen), maar werd ook in de tentoonstelling zelf getoond.

Technische obstakels
In praktisch opzicht heeft het nog wel wat voeten in aarde om video’s over meerdere platforms te verspreiden. Voor ArtTube dienen de video’s bijvoorbeeld in een formaat aangeleverd te worden die niet geschikt is voor een dvd speler. Soms gaat het omzetten naar een nieuw medium ten koste van de kwaliteit, bijvoorbeeld als de video voor ArtTube in breedbeeld is geschoten, terwijl de multimediatours een 3:4 formaat hebben. Bovendien is ondertiteling voor een multimediatour vaak geen optie, de schermen zijn daarvoor te klein. Voor een vertaling moet daarvoor een aparte voice-over worden opgenomen. Je zou kunnen zeggen dat voor het omzetten nog een apart montageproces in gang gezet moet worden. Dat is iets waarvoor niet altijd wordt (kan worden) gekozen.

Streven
Lang niet altijd leent het materiaal zich goed voor hergebruik op een ander platform. Maar gezien de moeite, tijd en research die met het maken van een goede video gepaard gaat, en de grote belangstelling die er bij het publiek voor bestaat, is het wel iets waarnaar we zoveel mogelijk streven.

Catrien Schreuder

Boijmans Online Collectie: De meest prangende vragen beantwoord

Begin mei lanceerden we de online collectie website.
Home Online Collectie`

Het was het resultaat van een traject dat meer dan een jaar eerder, in december 2008 begon. Tijdens dat traject zijn veel beslissingen genomen die tot dit eindresultaat geleid hebben. In een serie blogposts zullen we deze beslissingen beschrijven.

Waar komt de online collectie vandaan?
In 2008 is door Fabrique en Digifuga, in samenwerking met Museum Boijmans Van Beuningen het ‘@Boijmans’ plan geschreven. In dit plan werd de strategie voor de nieuwe internetactiviteiten van het museum vastgesteld.
Een van de voornaamste ideeën die hierin naar voren kwam, was dat het museum in deze tijd niet meer alleen meer een fysiek museum kan zijn, met alleen een fysiek bezoek. Maar dat er ook een groot potentieel aan geïnteresseerden is, dat online kan worden bereikt. Mensen die eventueel wel het museum zouden bezoeken en mensen die dat niet kunnen omdat ze bijvoorbeeld ver weg wonen. Het museum kan zo ook online haar doelstellingen verwezenlijken.

In het plan werd - naast de bestaande museumsite, met tentoonstellings- en bezoekinformatie - een netwerk aan websites voorgesteld dat zich richt op verschillende doelen, doelgroepen, deelcollecties en/of tentoonstellingen, onder andere een online collectie, een videoplatform en een site voor onderzoekers.

Met subsidie van het VSB Fonds konden we eind 2008 beginnen met de bouw van ArtTube en de Online Collectie: de twee eerste satelietsites die aan de bestaande website van het museum gekoppeld zouden kunnen worden.

Hoe is de selectie tot stand gekomen?
Een van de meest gehoorde vragen is: ‘Waarom staat niet de hele collectie online?’. Geen vreemde vraag, aangezien het museum meer dan 140.000 objecten beheert, waarvan er nu ‘maar’ 625 online te zien zijn.
Het korte antwoord is: omdat het museum online kwalitatief dezelfde ervaring wil bieden als in het museum.

Dit betekent dat we alleen objecten wilden tonen met een afbeelding, Zoals je in het museum niet alleen tekstbordjes ophangt met de titels van kunstwerken, zo wilden wij online geen ‘droge’ records online zetten. Het publiek komt naar het museum om de kunst te zien in een context, voorzien van informatie, zo ook online.

Daarnaast wilden we dat alle data over de objecten (titels, makers, jaartallen, afmetingen, etcetera) correct zou zijn,  wat betekent dat er veel aangevuld en gecontroleerd moest worden in de database van het museum.

Na een inventarisatie van beschikbaar kwalitatief hoogwaardig beeldmateriaal, bleek 600 een mooi streven voor de eerste vulling van de online collectie.
De keuze voor 600 is dus zowel inhoudelijk als praktisch ingegeven.

200/200/100/100/25
De website toont ongeveer 200 werken uit de moderne kunst collectie, 200 uit de collectie oude kunst, 100 prenten & tekeningen, 100 kunstnijverheid en design objecten en 25 werken uit de stadscollectie.
De hoeveelheden zijn gebaseerd op de ‘zwaarte’ van de verschillende deelcollecties.

Voor de verdere selectie zijn we begonnen met een standaardlijst met topstukken: kunstwerken die vaak in onderwijsprogramma’s gebruikt worden of in communicatie uitingen.
Aan die lijst werden al snel kunstwerken toegevoegd die besproken werden in onze ArtTube video’s, onderdeel waren van onze multimediatour, en/of voor het online project Wiki Loves Art al gefotografeerd waren.

Daarna is aan de conservatoren gevraagd om een lijst samen te stellen die een goede doorsnede is van hun collectiegebied. Bij de uiteindelijke selectie is rekening gehouden met het beschikbare beeldmateriaal, en van welke kunstwerken er al beschrijvende teksten aanwezig waren.

Waarom niet toch alles?
Er zijn zeker musea die hun gehele collectie online hebben staan.  De meest bekende instituten die hun digitale kaartenbak hebben ‘omgegooid’ en ongecontroleerd online gezet zijn het Powerhouse en Brooklyn Museum. Dit betekent dat de informatie die online staat incompleet en onjuist kan zijn. Het Brooklyn Museum had aanvankelijk besloten alleen gecontroleerde gegevens te tonen, maar zette - na maanden van weinig groei - in maart 2010 toch de hele collectie online.   En ook de Powerhouse Museum wacht gerust af tot haar publiek eventuele fouten in de gegevens aangeeft.

Het op deze manier online zetten van al je gegevens heeft zeker voordelen.
Onderzoekers en andere museummedewerkers kunnen zo zien wat zich in je collectie bevindt en het biedt ook transparantie naar een breder publiek. Daarnaast motiveert het het museum zelf om op een hoger tempo alle gegevens te controleren.
Een bijkomend voordeel is dat het online publiek kan helpen bij het controleren van gegevens. Het Brooklyn Museum kreeg bijvoorbeeld snel na de lancering van hun online collectie te horen dat een afbeelding van een kunstwerk ondersteboven stond, en leerde van een bezoeker meer over een van de kunstenaars in hun collectie, en ook het Powerhouse Museum wordt veel van advies voorzien.
Maar aangezien de online collectie van Museum Boijmans Van Beuningen voortkwam uit een educatief doel, met een museumpubliek in gedachten, is er hier toch gekozen voor gecontroleerde gegevens mét een afbeelding van een object.

Uitbreidingsplannen
Maar het zal zeker niet bij de 600 objecten blijven… De online collectie wordt continue aangevuld zodra meer gecontroleerde en gefotografeerde objecten beschikbaar komen.
Zo wordt de website aangevuld bij nieuwe aanwinsten, digitaliseringsprojecten en nieuwe websites, en zal er begin volgend jaar, bij de lancering van de ALMA website 4000 extra objecten te vinden zijn.

Onze volgende blogpost zal gaan over de keuzes voor objectdata en zoekvelden. Wil je graag iets anders weten over de online collectie? Mail dan web@boijmans.nl met je vraag.

10 november: docentenmiddag digitale kunsteducatie

Op woensdag 10 november organiseren we een docentenmiddag, speciaal voor docenten uit het Voortgezet Onderwijs. We noemen het ‘inspiratiemiddag’, bedoeling is dat na afloop docenten vol ideeën terug gaan naar school. Het programma ziet er als volgt uit:

Vanaf 13.30 uur Inloop

14.00 uur Lotte Meijer, projectleider nieuwe media Museum Boijmans Van Beuningen
Over de mogelijkheden van de collectie online van Museum Boijmans Van Beuningen en andere online bronnen voor kunsteducatie.

14.30 uur Femke Hameetman, kunsthistorica, museologe en freelance multimediaproducer
Over de laatste ontwikkelingen van videokanalen zoals Art Tube, ArtBabble, Tate Channel, V&A Channel maar ook YouTube en Vimeo en hoe het in lessen te gebruiken is.

15.00 uur Pauze

15.15 uur Karlijn Muller, MediaCultuur.net
Over de ‘mediawijze’ kunstlessen van MediaCultuur.net.

15.45 uur Arie Wels, docent beeldende kunst Elde College, Schijndel
Praktijkvoorbeelden van digitaal kunstonderwijs met tools die voor iedereen beschikbaar zijn.

16.30 uur Borrel

Mocht je interesse hebben: er zijn nog plaatsen beschikbaar. Aanmelden kan via klijs@boijmans.nl

Karen de Moor

To Pitch or not to Pitch….that’s the question

Museum Boijmans Van Beuningen organiseert regelmatig wedstrijden (’pitch’). Voor het online videokanaal ArtTube schreven we een tijdje geleden bijvoorbeeld zo’n pitch uit. Filmers konden zich laten inspireren door de collectie van het museum en een voorstel (script) voor een film indienen. Er was ook al eerder een filmwedstrijd bij de tentoonstelling Vreemde Dingen, een modeontwerpwedstrijd bij The Art of Fashion en een videocompetitie bij de tentoonstelling Elixir van Pipilotti Rist. Bij deze laatste competitie lieten deelnemers zich inspireren door de tentoonstelling van Pipilotti Rist. Uit 114 inzendingen werden vijf winnaars gekozen. Een van hen kon een masterclass volgen bij Pipilotti Rist zelf.  Daarnaast werden de vijf winnende films vertoond in Lantaarn Venster in aanwezigheid van de directeur en Pipilotti Rist zelf.

Er zijn verschillende reden om zo’n wedstrijd uit te schrijven: bijvoorbeeld het actief laten participeren van bezoekers, of bepaalde communities, waar je graag mee wilt samenwerkt. Bijvoorbeeld in combinatie met het vestigen van aandacht op een evenement of tentoonstelling.
Het is verstandig om van te voren jezelf bepaalde doelen te stellen. Dan kun je aan het einde bekijken: wat heb je er aan, wat win je er mee? En: zijn er misschien ook onbedoelde effecten?

Het uitzetten van dit soort wedstrijden is best lastig. De resultaten zijn onvoorspelbaar.  Soms zijn er veel inzendingen en blijft het niveau middelmatig, dan weer zijn er weinig deelnemers maar zitten er prachtige juweeltjes bij. Naar aanleiding van het organiseren van de pitch rond het online videokanaal ArtTube, vroegen we ons af:  Wanneer is een pitch geslaagd? Als je doelstellingen zijn behaald? In dit geval was het doel om ArtTube meer bekendheid te geven, meer (jonge) talentvolle filmers te leren kennen en actief te laten werken met film en de collectie van het museum. Terugkijkend waren er veel vragen en lang niet altijd antwoorden. Toch hebben we er veel van geleerd. Wat kun je eraan doen om: 1. meer deelnemers te krijgen en 2. de kwaliteit van de inzendingen te verbeteren?

Zo leverde de ArtTube pitch weinig echt bruikbare filmscripts op maar genereerde het wel 850 extra bezoekers op ArtTube. Bovendien werd door het uitdelen van de flyers (op onder andere de Museumnacht en via verzending naar een adressenbestand van jongeren) de naamsbekendheid van ArtTube ongetwijfeld groter.  Op zich een mooi resultaat.

Wat hebben we geleerd?
Voor de ArtTube pitch hadden we een zeer sturend concept. De deelnemers moesten werken met een vastgestelde selectie van de collectie. Je moest dus eerst naar het museum komen om de kunstobjecten te bekijken en dan een voorstel uitwerken. Dat werkte misschien wat te dwingend. Bij Vreemde Dingen kon  iedereen z’n filmpjes insturen rondom het thema van de tentoonstelling. Dat resulteerde weer in veel wazige filmpjes die allang eerder waren gemaakt en die niet allemaal even interessant waren. In ieder geval niet voor het museum. De Do-it-yourself- generatie vertelt graag zijn/haar eigen verhaal online, maar wat heb je daar als museum aan? Kortom, het is goed als er een mooi evenwicht is tussen de interesse van de deelnemer en de wensen van het museum. Wij zijn dan ook steeds op zoek naar die balans. En de ene keer lukt dat beter dan de andere. Daarom staat de vraag centraal: hoe verhoudt zich wat het museum graag als eindresultaat zou willen zien zich tot wat potentiële deelnemers leuk of interessant vinden om te doen?

Voor de toekomst…
Kwaliteit van deelnemers aan een wedstrijd kun je beïnvloeden door aan de wedstrijd een of meerdere workshops te koppelen.  De resulaten daarvan kunnen dienen als inzending. Een mooi voorbeeld is daarbij de werkwijze van Premsela die deze workshops Fablabs noemt. Dat klinkt gelijk goed!
Een van de beste en meest succesvolle pitches in aantallen deelnemers van de laatste tijd is natuurlijk You Tube Play, een online videocontest georganiseerd door het Guggenheim Museum.  You Tube is natuurlijk een prachtige partner,  want zo bereik je wereldwijd de hele video community. Als jouw inzending wint, komt die als installatie in het Guggenheim Museum en kun je je als (semi-professionele) kunstenaar internationaal doorbreken.

De beloning is dus een belangrijke factor. Bij de videowedstrijd bij Pipilotti Rist was de beloning ook een belangrijk lokkertje om mee te doen; het resulteerde in veel aanmeldingen. Er was een unieke workshop van de grote Pipilotti zelf, een droom voor veel deelnemers. En het was natuurlijk prachtig om met familie en vrienden jouw filmpje op het grote doek van een bioscoop terug te zien. Dus een meet&greet, een kijkje achter de schermen, het werk dat onderdeel wordt van een tentoonstelling, een workshop op een bijzondere plek (in het depot?) of een masterclass van een beroemde kunstenaar zijn allemaal goede ingrediënten om een geslaagde pitch uit te zetten.

Ook samenwerken met partners die een groot bereik hebben onder potentiële deelnemers is een belangrijke factor. Denk dus goed van te voren na wie je wilt laten meedoen en hoe je die kunt bereiken. Voor veel partners is het belangrijk om goede, inhoudelijke content aangeleverd te krijgen waar ze verder niet veel moeite voor hoeven te doen of extra voor hoeven te betalen. You Tube associeert zich graag met een prestigieuze partner als het Guggenheim.

Toch blijft het een afweging of de inspanningen opwegen tegen de resultaten. De films van de ArtTube pitch zijn nu nog in de maak en binnenkort te zien op ArtTube. We zijn tot nu toe tevreden over de tussenresultaten van deze jonge filmmakers. Tot die tijd kun je een van de makers volgen op een blog waarop hij zijn vorderingen bijhoudt.

Dit alles in het achterhoofd houdende, blijft de vraag: to pitch nor not to pitch….that will remain the question….

Praktische twittertips voor musea

Praktische twittertips

twitter

Als je aan de slag gaat met Twitter, maak je eerst een twitteraccount aan. Begin met de sign up rechts op het scherm. Kies een naam die kort en herkenbaar is voor iedereen. Let erop dat je twitternaam niet te lang is, want anders ben je sneller door jouw maximale 140 tekens heen. En zorg voor een mooie, duidelijke achtergrond afbeelding, die past bij de (huis)stijl van jouw museum. Op de Boijmanstwitter wordt de foto altijd aangepast aan de actualiteit (het is een persbeeld van actuele tentoonstellingen).

What’s happening?
Veel starters op Twitter weten niet wat ze moeten typen. Twitter vraagt ‘What’s happening?’ Vertel om mee te beginnen gewoon wat je doet.  Misschien kun je een leuk kijkje achter de schermen bieden? Je leert het meest van zelf beginnen met het plaatsen van berichten en te kijken wat anderen doen. En antwoord geven op vragen die je gesteld worden natuurlijk!
Vergeet niet andere tweeps te bedanken die jouw berichtje doorsturen aan hun netwerk (citaten zijn  zogenaamde retweets) . Je zegt dan dus: ‘@….. bedankt voor de retweet’.
En op Twitter mag je vragen stellen, onze ervaring is dat mensen het leuk vinden om je uitleg te geven en verder te helpen. Tip: zet in je bericht #durftevragen Dan lezen meer mensen het.
Zorg ervoor dat jij anderen ook volgt (start following your followers) en volg andere musea, bibliotheken, erfgoedinstellingen lokaal en wereldwijd. Volg iedereen die je leuk vindt. Dat brengt je op goede ideeën, leuke voorbeelden en een goed internationaal netwerk.
Gebruik de juiste toon die past bij jouw museum en bij het medium dat je gebruikt: kort en bondig maar niet al te zakelijk.  Experimenteer en lees wat andere musea doen. Zo heeft @museumboerhaave een prijsvraag (#zoom) waarbij je aan de hand van foto’s moet raden welk voorwerp je ziet. Op dinsdag is er elke week een vraag naar muziek met een link naar wetenschap (#dinsdagdeuntjes).  Ook zag ik ooit een Amerikaans museum, de naam is me even ontschoten, dat een exclusieve tour aanbood speciaal voor hun followers. Het wordt op Twitter gewaardeerd als je niet alleen boodschappen zend, maar ook soms mensen helpt. Je kunt jouw followers vragen mee te denken over een project dat op stapel staat of gewoon antwoord geven op hun vragen. Retweet ook eens het bericht van een collegainstelling.

#= hashtag
Het gebruik van het hekje # of hashtag is erg handig. Je gebruikt het om te zeggen waar je bent: ik ben #boijmans #010. Een hashtag toekennen aan een lezing of evenement, is dat een handige zet om te zorgen dat er meer over je gepraat wordt en dat mensen je beter kunnen vinden, bijvoorbeeld #museumnacht of #openingOZBL (=opening Onderzeebootloods). Vergeet niet je hashtag duidelijk te communiceren voor de start van de lezing, het evenement of de tentoonstelling. Dan weet je ook zeker dat iedereen hetzelfde gebruikt. Om te beginnen moet je het zelf vaak gebruiken. Dan kan iedereen eraan wennen. Ook kun je het verwerken in een uitnodiging, programmaboekje, twitterscherm, of presentatie. Op die manier is het handig andere mensen te zoeken en te volgen die bij hetzelfde evenement zijn of dezelfde interesse als jij hebben. Een hashtag verbindt een breed geïnteresseerd publiek en zorgt ervoor dat je tweet op de juiste plek aankomt.

Met deze uitleg en veel experimenteren, kun je nu dus aan de slag!

Femke Hameetman

Interactief LCD-scherm

Eind 2009 schreef ik al over ons besluit een digital whiteboard aan te schaffen voor onze educatieve ruimte. Het moest een Smart Board worden.
Toen we in gesprek waren met enkele leveranciers, kwamen we echter een andere, nog betere oplossing tegen: een interactief LCD-scherm. Steeds meer onderwijsinstellingen stappen over van Smartboard naar dit digitale ‘schoolbord’. Het heeft ten opzichte van het Smartboard weer een aantal voordelen. Zo komt er geen beamer aan te pas, waardoor de levensduur van een beamerlamp geen issue is. Ook is het oppervlak niet zacht, maar bestaat het uit een ‘TV-scherm’ met daarvoor een dikke glasplaat. Mocht iemand met een scherp voorwerp in de buurt van het bord komen, dan is er geen kans op schade.
Met dit voortschrijdend inzicht hebben we uiteindelijk gekozen voor het interactieve LCD-scherm. Inmiddels is het scherm geïnstalleerd in de Kunst Studio, en gaan we er vanaf het nieuwe schooljaar intensief gebruik van maken bij onder andere onze museumlessen.

Karen de Moor

Het twitterend museum

museum_twitter

Boijmans twittert! Twitter is een microblog waar je berichtjes van maximaal 140 karakters kunt lezen en plaatsen. Andere mensen op Twitter (Tweeps- noem je die) kunnen die berichtjes lezen. Dat zijn jouw followers. En jij kunt andere mensen volgen en zo op de hoogte blijven van hun berichten. Dat heet following in twittertermen.

Twitter is groot en groeit nog steeds. In 2009 groeide het aantal gebruikers van Twitter van 6 naar 18 miljoen. De voorspellingen zijn dat er eind 2010 wereldwijd 26 miljoen mensen op te vinden zijn. @boijmans, onze eigen twitteraccount, heeft nu al 1500+ followers (juni 2010).

Get started voor musea
Steeds meer musea maken gebruik van twitter. Ze vertellen over hun evenementen, plaatsen de resultaten van de workshops met een foto online of geven antwoord op vragen van followers. Vaak is het eenrichtingsverkeer maar steeds vaker proberen musea samen te werken met het publiek of speciale twitteracties te doen.

Maar wat heb je er nu precies aan als museum? Moet je Twitter omarmen, of is het iets waar je terughoudend mee moet omgaan? Je hoort nog wel eens het argument dat  je met Twitter (onbedoeld) negatieve reacties oproept. Scholieren die jouw museum saai vinden, mensen die de tentoonstelling vonden tegenvallen of de tekstbordjes onleesbaar vinden. Mijn ervaring is dat de negatieve reacties veelal komen van mensen die Twitter niet goed kennen als gebruiker. Het is dus belangrijk te experimenteren.

1. Stel vast wat en wie je wilt bereiken op Twitter.
2. Luister die mensen af en ga met ze twitteren. Zo kom je er achter waar ze behoefte aan hebben.
3. Koppel het aan iets dat binnen het beleid past en dat jij kunt bieden.
4. Get started en doe mee.

Als je het niet probeert, gebeurt er nooit iets natuurlijk! Begin gewoon eens je eigen twitteraccount te claimen. Denk erover na hoe je gevonden wilt worden en wat je wilt gaan vertellen. Wat is je doel? Past twitteren binnen een breder marketing- en communicatiebeleid? Zorg dan dat het ook structureel een plek krijgt binnen dit beleid.

Hoe meet je op Twitter?
De grootste musea op twitter zijn het Prado met ruim 90.000 followers en het MOMA met ruim 200.000 followers. Er zijn verschillende mogelijkheden om te zien hoe je het doet op Twitter en bijvoorbeeld hoe je doet het ten opzichte van andere musea. Als je weet wat je wilt, bijvoorbeeld veel followers, bijzondere acties die leiden tot meer bezoek naar je site of museum, ku je ook meten of het zin heeft wat je doet. Lees dit voorproefje uit het boek Museums on Twitter: Searching with Twitter. Er bestaat zelfs een installatie in de VS rond dit onderwerp.
Hoe zit dat met die zure reacties die je op internet en dus ook op Twitter wel eens leest? Laat je angst voor negatieve reacties gewoon varen. Leg je erbij neer dat die er toch wel zijn. Of het nu in de kroeg is of op Twitter; er zijn altijd mensen die negatief over je praten. Het mooie van Twitter is nu juist dat je er (mits het redelijk genuanceerd is) erop kunt reageren. In het algemeen wordt dat gewaardeerd. Onthoud dat al jouw followers meelezen. Als je nog meer wilt weten, lees het boek Twitter for museums. Dat is interessant voor startende en voor gevorderde tweeps!

Lees wat reacties van onze followers:

En wat levert twitteren nu precies op? Uit eigen ervaring kan ik zeggen: je krijgt meer inzicht in hoe er over je gesproken wordt. Je kunt namelijk je eigen bezoekers afluisteren! Daarnaast speel je zelf als instituut een grotere rol in mond-tot-mond reclame. Want jouw berichten worden vaak letterlijk door anderen doorverteld (geretweet). Twitter verbreedt je blik op jouw werkveld,  je kunt nu eindelijk eens terugpraten als er negatief over je wordt gesproken en bovendien verzamel je een club echte fans die graag bereid zijn mee te denken en je van advies te voorzien. Ik zou zeggen: get started!

Femke Hameetman

Rondreizende educatieve presentatie

Vorige week is de tentoonstelling ‘Meesterwerk of kopie’ geopend in Museum M in Leuven. Tot ons grote genoegen is de tentoonstelling ook daar goed ontvangen. De Belgische krant De Standaard schreef: ‘De tentoonstelling Meesterwerk of kopie? maakt duidelijk hoe de specialisten tot hun oordelen komen en leert je aandachtiger kijken naar kunst.’

De tentoonstelling was van december 2009 tot februari 2010 te zien in Museum Boijmans Van Beuningen. Samen met conservator Friso Lammertse maakte ik een multimediapresentatie die inzicht gaf in het kunsthistorisch onderzoek dat aan de tentoonstelling vooraf was gegaan. Voor een registratie van de tentoonstelling klik hier.
Daarna reisde de tentoonstelling, inclusief educatieve multimediapresentatie, door naar het Nationalmuseum van Stockholm, en vervolgens naar Leuven.

Voor een toelichting op de educatieve aanpak, lees ook de eerdere blogpost.

Catrien Schreuder